Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2026:285

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
25/510
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3 Taxiverordening Amsterdam 2012Art. 82b Wp 2000Art. 82c Wp 2000Art. 5:32 AwbArt. 8 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen last onder dwangsom voor aanbieden taxivervoer zonder vergunning in Amsterdam

Een taxichauffeur bood op 11 juli 2024 taxivervoer aan op de Amsterdamse opstapmarkt zonder geldige Taxxxivergunning, wat werd vastgesteld door toezichthouders. Het college van burgemeester en wethouders legde hem daarop een last onder dwangsom op van €5.550 per overtreding, met een maximum van €27.750. Het bezwaar van de chauffeur tegen deze last werd door het college ongegrond verklaard.

De chauffeur voerde in beroep aan dat de verplichting om aangesloten te zijn bij een Toegelaten Taxi Organisatie (TTO) in strijd is met het recht op (negatieve) vrijheid van vereniging zoals beschermd door artikel 8 van Pro de Grondwet en artikel 11 van Pro het EVRM. Het College oordeelde dat het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet Pro het niet mogelijk maakt om de Taxiverordening te toetsen aan artikel 8 Grondwet Pro. Daarnaast staat artikel 11 EVRM Pro niet in de weg aan de keuze van de Amsterdamse gemeenteraad voor het TTO-systeem.

De chauffeur stelde dat het TTO-systeem niet werkt en niet voldoet aan het noodzakelijkheidscriterium van artikel 11 EVRM Pro, maar het College verwierp dit standpunt op grond van eerdere uitspraken. Het College concludeerde dat het college van b en w bevoegd was de last onder dwangsom op te leggen en verklaarde het beroep ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wegens aanbieden van taxivervoer zonder vergunning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 25/510

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats]

(gemachtigde: mr. [naam 2] )
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college van b en w)

(gemachtigde: mr. M. ten Doesschate)

Procesverloop in beroep

[naam 1] heeft tegen het besluit van 24 februari 2025 beroep ingesteld bij de rechtbank Amsterdam. De rechtbank heeft het beroep ter behandeling doorgezonden naar het College.
De zitting was op 7 mei 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.

Inleiding

1.1
[naam 1] is werkzaam als taxichauffeur. Hij heeft geen vergunning voor het mogen verrichten van taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt (Taxxxivergunning).
1.2
Op 11 juli 2024 hebben toezichthouders van de gemeente Amsterdam waargenomen dat [naam 1] met zijn taxi stil stond op het Damrak ter hoogte van nummer 95, op de laad- en losplaats naast de Bijenkorf. Die plaats is bij de toezichthouders ambtshalve bekend als illegale opstaplocatie. Er was geen sprake van laad- en losactiviteiten, dan wel onmiddellijk in- of uitstappen van personen uit de taxi. De toezichthouders hebben [naam 1] staande gehouden op verdenking van het aanbieden van taxivervoer op de opstapmarkt in Amsterdam zonder Taxxxivergunning. De toezichthouders hebben hun bevindingen neergelegd in een rapport van bevindingen van 12 juli 2024. Dit rapport is op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend.
1.3
Met het besluit van 15 augustus 2024 heeft het college van b en w aan [naam 1] een last onder dwangsom opgelegd wegens het aanbieden van taxivervoer op de openbare weg van Amsterdam zonder geldige Taxxxivergunning. Dat is op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening Amsterdam 2012 (Taxiverordening) verboden. De last onder dwangsom bedraagt € 5.550,- per nieuwe overtreding, met een maximum van € 27.750,-.
1.4
Met het besluit van 24 februari 2025 heeft het college van b en w het bezwaar van [naam 1] ongegrond verklaard en het besluit van 15 augustus 2024 gehandhaafd. Voor de motivering heeft het college van b en w verwezen naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van diezelfde datum.

Wettelijk kader

2.1
De Taxiverordening vindt zijn wettelijke grondslag in artikel 82b van de Wet Personenvervoer 2000 (Wp 2000). Volgens dat artikel kan bij aangewezen gemeenten, waaronder Amsterdam, in een gemeentelijke verordening worden bepaald dat – kort gezegd – het aanbieden van taxivervoer is voorbehouden aan taxichauffeurs die deel uitmaken van een organisatorisch verband, en dat daartoe regels over vergunningverlening worden gesteld. Op grond van artikel 82c van de Wp 2000 en artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is het college van b en w bevoegd tot handhaving van de in de Taxiverordening gestelde verplichtingen door oplegging van een last onder dwangsom.
2.2
Op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening is het een chauffeur verboden om zonder Taxxxivergunning van het college van b en w op de in bijlage I aangegeven delen van de openbare weg, waaronder het gebied binnen de ring A10 van Amsterdam, taxivervoer aan te bieden. De locatie waar het in deze zaak om gaat, het Damrak, valt binnen dat gebied.

Beoordeling van het beroep

3 Zoals op de zitting is besproken, bestrijdt [naam 1] in beroep niet (langer) dat hij taxivervoer op de opstapmarkt in Amsterdam heeft aangeboden en daarmee heeft gehandeld in strijd met artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening. [naam 1] heeft uitsluitend aangevoerd dat de verplichting in de Taxiverordening om zich aan te sluiten bij een Toegelaten Taxi Organisatie (TTO) in strijd is met het recht op (negatieve) vrijheid van vereniging, zoals neergelegd in artikel 8 van Pro de Grondwet en artikel 11 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), zodat geen sprake is van een overtreding waarop het college van b en w mocht handhaven. Het College volgt [naam 1] niet in dit standpunt en licht dit hierna toe.
Is de Taxiverordening in strijd met artikel 8 van Pro de Grondwet?
4 [naam 1] heeft betoogd dat de Taxiverordening in strijd is met artikel 8 van Pro de Grondwet, voor zover de gemeente Amsterdam daarmee de opstapmarkt ten onrechte beperkt tot bij een TTO aangesloten chauffeurs. Hij heeft erop gewezen dat artikel 8 van Pro de Grondwet uitsluitend kan worden beperkt in het belang van de openbare orde. Volgens hem blijkt uit de doelstelling van de Taxiverordening echter duidelijk dat de Taxiverordening niet is gericht op bescherming van de openbare orde.
4.1
De gemeente Amsterdam heeft met de Taxiverordening het TTO-systeem ingevoerd en daarmee toepassing gegeven aan artikel 82b van de Wp 2000. Het betoog van [naam 1] dat de Taxiverordening in strijd is met artikel 8 van Pro de Grondwet, komt in wezen neer op het beoordelen van de grondwettigheid van artikel 82b van de Wp 2000. De keuze voor invoering van het TTO-systeem vloeit namelijk direct voort uit die bepaling, waarin deze keuze mogelijk is gemaakt. Op grond van artikel 120 van Pro de Grondwet is het de rechter echter verboden wetten in formele zin, zoals de Wp 2000, te toetsen aan de Grondwet. Dit betekent dat het College de Taxiverordening – voor zover daarmee het TTO-systeem is ingevoerd – niet kan toetsen aan artikel 8 van Pro de Grondwet. Aan het betoog dat de doelstelling van de Taxiverordening niet valt binnen het in artikel 8 van Pro de Grondwet vervatte doelcriterium ‘in het belang van de openbare orde’, moet daarom ook voorbij worden gegaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de Taxiverordening in strijd met artikel 11 van Pro het EVRM?
5 Het recht op (negatieve) vrijheid van vereniging wordt ook beschermd door artikel 11 van Pro het EVRM. Het College heeft in zijn uitspraken van 12 november 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:581) en 10 maart 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:146) geoordeeld dat artikel 11 van Pro het EVRM niet in de weg staat aan de keuze van de Amsterdamse gemeenteraad voor toepassing van artikel 82b van de Wp2000 en het TTO-systeem.
6 [naam 1] heeft op de zitting betoogd dat hij het niet eens is met die eerdere uitspraken. Hij heeft uiteengezet dat dat het TTO-systeem niet werkt en de Taxiverordening niet voldoet aan het noodzakelijkheidscriterium van artikel 11 van Pro het EVRM. Het College is volgens hem ten onrechte voorbijgegaan aan het standpunt dat bij voldoende toezicht door de gemeente zelf, geen TTO-systeem nodig is.
6.1
Dit betoog komt grotendeels overeen met het standpunt zoals ingenomen in de zaken die hebben geleid tot de hiervoor genoemde uitspraken van het College. Het College heeft dat standpunt in die uitspraken gemotiveerd verworpen. Het College ziet in wat [naam 1] heeft aangevoerd geen reden voor een ander oordeel in deze zaak. De beroepsgrond slaagt niet.
7 Uit het voorgaande volgt dat het college van b en w bevoegd was de last onder dwangsom op te leggen, omdat [naam 1] artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening heeft overtreden. [naam 1] heeft de aanwending van die bevoegdheid door het college van b en w niet (gemotiveerd) bestreden.
Slotsom
8 Het College zal het beroep ongegrond verklaren. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. M.C. Verviers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.
w.g. D. Brugman w.g. M.C. Verviers