ECLI:NL:CBB:2026:285
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen last onder dwangsom voor aanbieden taxivervoer zonder vergunning in Amsterdam
Een taxichauffeur bood op 11 juli 2024 taxivervoer aan op de Amsterdamse opstapmarkt zonder geldige Taxxxivergunning, wat werd vastgesteld door toezichthouders. Het college van burgemeester en wethouders legde hem daarop een last onder dwangsom op van €5.550 per overtreding, met een maximum van €27.750. Het bezwaar van de chauffeur tegen deze last werd door het college ongegrond verklaard.
De chauffeur voerde in beroep aan dat de verplichting om aangesloten te zijn bij een Toegelaten Taxi Organisatie (TTO) in strijd is met het recht op (negatieve) vrijheid van vereniging zoals beschermd door artikel 8 van Pro de Grondwet en artikel 11 van Pro het EVRM. Het College oordeelde dat het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet Pro het niet mogelijk maakt om de Taxiverordening te toetsen aan artikel 8 Grondwet Pro. Daarnaast staat artikel 11 EVRM Pro niet in de weg aan de keuze van de Amsterdamse gemeenteraad voor het TTO-systeem.
De chauffeur stelde dat het TTO-systeem niet werkt en niet voldoet aan het noodzakelijkheidscriterium van artikel 11 EVRM Pro, maar het College verwierp dit standpunt op grond van eerdere uitspraken. Het College concludeerde dat het college van b en w bevoegd was de last onder dwangsom op te leggen en verklaarde het beroep ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wegens aanbieden van taxivervoer zonder vergunning wordt ongegrond verklaard.