ECLI:NL:CBB:2026:314

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
24/426
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10, eerste lid, aanhef en onder e, Tabaks- en rookwarenwetArt. 1, eerste lid, AlcoholwetArt. 35, eerste lid, Alcoholwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bestuurlijke boete voor niet-handhaven rookverbod in festivaltent door exploitant horeca-inrichting

Tijdens het festival Dutch Valley 2022 verzorgde [naam 1] B.V. diverse biertappunten, waaronder in de Hip Hop tent, en beschikte over een ontheffing voor het schenken van zwak-alcoholhoudende drank. Op het gehele festivalterrein gold een rookverbod dat door de festivalorganisator was ingesteld. Op 14 augustus 2022 constateerden toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit dat in de Hip Hop tent het rookverbod niet werd gehandhaafd.

De minister legde [naam 1] een boete van €600,- op wegens het niet handhaven van het rookverbod, een besluit dat door de rechtbank Rotterdam werd bevestigd. In hoger beroep betoogde [naam 1] dat zij slechts leverancier was en dat de festivalorganisator verantwoordelijk was voor de handhaving van het rookverbod.

Het College oordeelde dat [naam 1] als houder van de ontheffing en exploitant van de horeca-inrichting in de Hip Hop tent wettelijk verplicht was het rookverbod te handhaven. De gemaakte afspraken met de organisator en het feit dat beveiligers het rookverbod zouden handhaven, ontsloegen haar niet van deze verplichting. De boete werd daarom terecht opgelegd en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het College bevestigt de boete van €600,- voor het niet handhaven van het rookverbod door [naam 1] als exploitant van de horeca-inrichting in de Hip Hop tent.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/426

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 op het hoger beroep van:

[naam 1] B.V., te [vestigingsplaats]

(gemachtigde: [naam 2] )
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2024, kenmerk 23/4659,
in het geding tussen

[naam 1]

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sportvoorheen: de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

(gemachtigde: mr. D.W. Gerritsen)

Procesverloop in hoger beroep

[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:2908).
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van partijen.

Inleiding

1.1
In het kader van het festival Dutch Valley 2022 is [naam 1] door de festivalorganisator ingehuurd om diverse biertappunten te verzorgen, waaronder een biertappunt in de zogenoemde Hip Hop tent. [naam 1] beschikte over de ontheffing voor het schenken van zwak-alcoholhoudende drank, als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Alcoholwet (ontheffing). Die ontheffing gold voor het gehele festivalterrein voor in totaal vijftien biertappunten, waaronder dus een in de Hip Hop tent. De organisator van het festival beschikte over de evenementenvergunning. De organisator verkocht festivalmunten waarmee bezoekers hun consumpties in de Hip Hop tent betaalden. Op het gehele festivalterrein gold een door de festivalorganisator ingesteld en aangeduid rookverbod.
1.2
Op 14 augustus 2022 hebben twee toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit de Hip Hop tent geïnspecteerd op naleving van de Tabaks- en rookwarenwet (Trw), waaronder het handhaven van het rookverbod. In het van die inspectie door een van hen opgemaakte rapport van bevindingen van 9 december 2022, beschrijft de inspecteur dat hij heeft gezien dat meerdere mensen sigaretten en e-sigaretten (vapes) rookten, dat zij niet op het rookverbod werden aangesproken en dat er sigarettenpeuken op de grond lagen.
2 De minister heeft [naam 1] met een besluit van 17 januari 2023 (boetebesluit) een boete van € 600,- opgelegd, omdat [naam 1] op 14 augustus 2022 in de Hip Hop tent het rookverbod niet heeft gehandhaafd, waartoe zij op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Trw verplicht was. Met het besluit op bezwaar van 26 mei 2023 (bestreden besluit) is het bezwaar van [naam 1] ongegrond verklaard en de boete in stand gelaten.

Uitspraak van de rechtbank

3 De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister [naam 1] terecht als overtreder van de in het bestreden besluit vermelde overtreding heeft aangemerkt en de boete van € 600,- heeft mogen opleggen. De rechtbank heeft het beroep van [naam 1] tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Standpunten van partijen

4.1
Zoals op zitting is besproken handhaaft [naam 1] alleen de hoger beroepsgrond dat zij geen overtreder is. Zij erkent dat het rookverbod in de Hip Hop tent niet werd gehandhaafd, maar betoogt dat de organisator van het festival dat had moeten doen. Die heeft het rookverbod ingesteld en aangeduid op het festivalterrein en had het moeten handhaven. Dit volgt uit de afspraken tussen [naam 1] en de festivalorganisator. [naam 1] is van mening dat zij alleen leverancier is van de biertappunten en het barpersoneel en stelt dat zij verder geen zeggenschap had.
4.2
De minister heeft verzocht om de uitspraak van de rechtbank te bevestigen.

Wettelijk kader

5 Het van toepassing zijnde wettelijke kader is vermeld in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling van het hoger beroep

6.1
Het College komt tot het oordeel dat de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten en licht dit hieronder toe.
6.2
De boete is aan [naam 1] opgelegd, omdat zij in de hoedanigheid van exploitant van een horeca-inrichting gehouden was tot het handhaven van het rookverbod en zij dit heeft nagelaten. Dat deze verplichting op de exploitant van de horeca-inrichting rust, volgt uit artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Trw. Tussen partijen is niet in geschil dat het festivalterrein een horeca-inrichting is. Ook staat niet ter discussie dat de Hip Hop tent een lokaliteit is van die inrichting waarin het horecabedrijf werd uitgeoefend. Vaststaat ook dat het rookverbod op 14 augustus 2022 niet werd gehandhaafd in de Hip Hop tent.
6.3
De vraag die in hoger beroep centraal staat, is of [naam 1] de exploitant van de horeca-inrichting is. Volgens [naam 1] blijkt uit de onderlinge afspraken dat de festivalorganisator de exploitant van de horeca-inrichting is. Met de rechtbank is het College van oordeel dat [naam 1] de exploitant van de horeca-inrichting is en dat zij het rookverbod had moeten handhaven. Hiertoe overweegt het College als volgt. Vaststaat dat [naam 1] de aanvrager en houder is van de ontheffing. Deze ontheffing gold voor het hele festivalterrein, waaronder ook het tappunt in de Hip Hop tent. Zonder deze ontheffing is het niet mogelijk om de horeca-inrichting te exploiteren. [naam 1] verkocht in de Hip Hop tent tegen betaling drankjes, waaronder bier, voor consumptie ter plaatse. Dat de organisator van het festival haar niet betaalde per consumptie, maar voor de dienst als geheel en dat bezoekers hun consumpties betaalden met festivalmunten maakt, anders dan [naam 1] betoogt, niet dat zij slechts leverancier van de bar en het barpersoneel was. Ook de afspraak dat de festivalorganisator beveiligers zou inhuren die op het festivalterrein, waaronder de Hip Hop tent, het rookverbod zouden handhaven, maakt niet dat [naam 1] niet de exploitant is van de Hip Hop tent. De hoedanigheid van exploitant van de Hip Hop tent verschuift niet van [naam 1] naar de festivalorganisator omdat zij een afspraak over het handhaven van het rookverbod in de Hip Hop tent hebben gemaakt. Deze afspraak, en de gestelde omstandigheid dat [naam 1] geen zeggenschap had over de beveiligers, ontslaan haar niet van de op haar als exploitant rustende verplichting om ervoor te zorgen dat in de Hip Hop tent het rookverbod wordt gehandhaafd.
6.4
Uit het vorenstaande volgt dat [naam 1] als exploitant van de Hip Hop tent wettelijk verplicht was om daar het rookverbod te handhaven. Dat [naam 1] met de organisator is overeengekomen dat die het rookverbod in de Hip Hop tent zou handhaven, wat ook blijkt uit de omstandigheid dat zij de opgelegde boete aan hem heeft doorbelast, heeft niet tot het resultaat geleid dat het rookverbod in de Hip Hop tent daadwerkelijk werd gehandhaafd. Dat komt voor rekening en risico van [naam 1] op wie de wettelijke verplichting tot het handhaven van het rookverbod in de Hip Hop tent rustte. Zij is in het bestreden besluit terecht als overtreder aangemerkt en de minister was daarom bevoegd om haar een boete op te leggen.
6.5
Dat de minister naar eigen zeggen ook de organisator van het festival had kunnen beboeten voor het niet handhaven van het rookverbod op het festivalterrein maakt niet dat [naam 1] met betrekking tot de Hip Hop tent geen overtreder is van de verplichting om daar het rookverbod te handhaven. De organisator en [naam 1] hebben beiden een eigen verantwoordelijkheid bij het handhaven van het rookverbod.
6.6
De situatie dat de organisator van het festival over de ontheffing beschikt en de exploitant is van het festivalterrein als horeca-inrichting, doet zich hier niet voor. Dat was wel het geval in de zaak die tot de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juni 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:5336) heeft geleid, waarnaar [naam 1] ter ondersteuning van haar standpunt verwijst. Aan die uitspraak komt daarom niet de betekenis toe die [naam 1] daar in dit geding aan toegekend wil zien.
Slotsom
7 Het hoger beroep slaagt niet. Het College zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen.
8 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. A. van Gijzen en mr. C. de Kruif, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.
w.g. M.M. Smorenburg w.g. J.W.E. Pinckaers

BIJLAGE WETTELIJK KADER

Tabaks- en rookwarenwet
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: [..]
horeca-inrichting: a. inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet; [..]
Artikel 10
1 In de navolgende gevallen is de navolgende persoon of het navolgende orgaan verplicht tot het instellen, aanduiden en handhaven van een rookverbod: [..]
e. in een horeca-inrichting: de exploitant van die horeca-inrichting; [..]
Alcoholwet
Artikel 1
1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: [..]
– lokaliteit: een besloten ruimte, onderdeel uitmakend van een inrichting;
– horecalokaliteit: een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse; [..]
– inrichting: de lokaliteiten waarin het slijtersbedrijf of het horecabedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen voor zover die terrassen in ieder geval bestemd zijn voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, welke lokaliteiten al dan niet onderdeel uitmaken van een andere besloten ruimte;
[..]