ECLI:NL:CBB:2026:333

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
25/328
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 79 Wet personenvervoer 2000Art. 82 Wet personenvervoer 2000Art. 82a Wet personenvervoer 2000Art. 1.1 Taxiverordening BredaArt. 2.1 Taxiverordening Breda
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking KTB-vergunning wegens weigering korte rit en eerdere overtredingen

Een taxichauffeur in Breda beschikte over een KTB-vergunning voor het aanbieden van taxivervoer op de opstapmarkt. Op 5 mei 2024 weigerde hij een korte rit naar het Holland Casino, wat werd vastgesteld door toezichthouders in een proces-verbaal. Dit was de derde overtreding van voorschriften verbonden aan zijn vergunning; eerdere overtredingen betroffen het niet representatief gekleed zijn.

Het college van burgemeester en wethouders trok de vergunning per 10 juli 2024 in en verklaarde het bezwaar van de chauffeur ongegrond. De chauffeur stelde beroep in tegen deze intrekking. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde dat de weigering van de korte rit een overtreding was en dat het college van b en w bevoegd was de vergunning in te trekken.

De handhavingsmatrix van Breda voorziet bij een derde overtreding in intrekking van de vergunning. Het College vond de intrekking proportioneel en noodzakelijk, mede omdat de chauffeur gewaarschuwd was en na een schorsing toch opnieuw overtrad. De intrekking geldt voor een beperkte periode, waarna een nieuwe vergunning kan worden aangevraagd. Het beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep van de chauffeur wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de KTB-vergunning blijft in stand.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 25/328

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen

[naam] , te Breda (chauffeur)

(gemachtigde: mr. R.P. Kuijper)
en

het college van burgemeester en wethouders van Breda

(gemachtigde: O. Tuncdemir)

Procesverloop in beroep

De chauffeur heeft tegen het besluit op bezwaar van 20 maart 2025 (bestreden besluit) beroep ingesteld.
Het college van b en w heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 22 april 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: de chauffeur en de gemachtigden van partijen.

Inleiding

1.1
De chauffeur is als taxichauffeur werkzaam in Breda op de zogenoemde opstapmarkt. Hij beschikte over de daarvoor vereiste vergunning Kwaliteitstaxi Breda (KTB-vergunning) als bedoeld in de artikelen 1.1 en 2.1 van de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Breda houdende regels omtrent taxi’s Taxiverordening Breda (Taxiverordening Breda). Op 5 mei 2024 omstreeks 1:30 uur hebben toezichthouders in burger een controle uitgevoerd op de [adres 1] te Breda. In het daarvan op ambtsbelofte opgemaakte en ondertekende proces-verbaal van bevindingen van 30 mei 2024 is vermeld:
“Op bovengenoemde dag datum en tijdstip, liep ik verbalisant, richting de taxistandplaats gelegen aan de [adres 1] te Breda gemeente Breda. Ik zag dat op deze locatie diverse taxi's hadden plaatsgenomen. Ik liep naar de taxi's toe om aldaar een controle uit te voeren. Ik vroeg aan de taxi chauffeur of dat hij ons kon brengen richting Holland Casino aan de [adres 2] . Ik hoorde dat de chauffeur zei ‘dat is echt aan de andere kant van de stad dat kun je beter lopen’. Ik antwoordde de chauffeur hierop: ‘nee we willen met de taxi’. Ik zag dat de chauffeur zijn telefoon pakte en hierop keek voor ongeveer 1 minuut. Hierna zag ik dat de chauffeur uitstapte en 2 mannen aansprak. Ik hoorde dat de man zei ‘jullie kunnen mee via de meter’. Ik hoorde de mannen zeggen ‘40 euro’s’. Ik hoorde de taxichauffeur zeggen ‘zij waren eerder’. Ik zag dat de mannen en de chauffeur instapte en ik zag dat de taxichauffeur wegreed. Hierdoor kon ik niet instappen in de taxi en werd ik niet geholpen door deze taxichauffeur.”
1.2
Op grond van het proces-verbaal van bevindingen heeft het college van b en w met het besluit van 13 juni 2024 (intrekkingsbesluit) de aan de chauffeur verleende KTB-vergunning per 10 juli 2024 ingetrokken. Aan die intrekking is ten grondslag gelegd dat de chauffeur op 5 mei 2024 een korte rit heeft geweigerd, waarmee hij een aan de KTB-vergunning verbonden voorschrift heeft overtreden. Dat is volgens artikel 8, tweede lid, aanhef en onder h, van de Nadere regels kwaliteitsbevordering straattaxivervoer Breda (Nadere regels) voor houders van het Keurmerk niet toegestaan. Het is volgens het college van b en w de derde overtreding door de chauffeur van een aan de KTB-vergunning verbonden voorschrift. De eerste overtreding was op 5 november 2022. Daarvoor heeft de chauffeur een waarschuwing gekregen. De tweede overtreding was op 13 januari 2023. Daarvoor is de KTB-vergunning vier weken geschorst. In deze beide gevallen was de chauffeur op een taxistandplaats niet representatief gekleed, wat hij volgens artikel 8, tweede lid, aanhef en onder c, van de Nadere regels, wel had moeten zijn. Het college van b en w heeft in overeenstemming met zijn handhavingsbeleid, als vermeld in regel 5 van Bijlage 11: Overtredingen die samenhangen met de Taxiverordening Breda bij het Besluit van het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van de gemeente Breda houdende regels omtrent de Handhavingsmatrix Breda 2020 (handhavingsmatrix), voor de derde overtreding de KTB-vergunning ingetrokken. Met het bestreden besluit heeft het college van b en w het bezwaar van de chauffeur ongegrond verklaard. De chauffeur is het daar niet mee eens en heeft beroep ingesteld.

Beoordeling van het beroep

2.1
Het College is van oordeel dat het college van b en w de KTB-vergunning mocht intrekken, omdat de chauffeur met de weigering van een korte rit een derde overtreding heeft begaan. Het College is als volgt tot dit oordeel gekomen.
2.2
De Taxiverordening Breda en de Nadere regels vinden hun wettelijke grondslag in de artikelen 82 en 82a van de Wet personenvervoer 2000. Die wetsartikelen bieden het college van b en w de ruimte om regels te stellen die in het belang zijn van de kwaliteit van op de gemeentelijke openbare weg aangeboden taxivervoer. Dat heeft het college van b en w met de Taxiverordening Breda en de Nadere regels gedaan. Deze algemeen verbindende voorschriften zijn voldoende duidelijk en kenbaar. Er is daarom geen sprake van strijd met het legaliteitsbeginsel. Verder mag van een professionele taxichauffeur worden verwacht dat hij begrijpt waaraan hij zich te houden heeft. Hij mag daarom geacht worden te begrijpen wat verstaan wordt onder een korte rit die niet geweigerd mag worden. Er is daarom ook geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
2.3
Een bestuursorgaan mag, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het rapport weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
2.4
De chauffeur heeft aangevoerd dat hij geen overtreding heeft begaan, omdat hij geen korte rit heeft geweigerd. Toen de verbalisant hem aansprak, was hij al benaderd door de twee mannen die in het proces-verbaal van bevindingen worden genoemd. Deze mannen moesten eerst hun broodje opeten voordat ze konden worden vervoerd. De aangenomen rit van deze mannen was even lang en even duur als de niet aangenomen rit waar de verbalisant om verzocht. Het College volgt de chauffeur niet in dit standpunt. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de chauffeur tegen de verbalisant heeft gezegd dat hij beter kon gaan lopen naar het Holland Casino. De kosten voor deze rit zijn € 22,- tot € 23,-, voor een afstand van ongeveer 3,5 tot 4 kilometer. Door te zeggen dat de verbalisant beter kon gaan lopen, heeft de chauffeur de rit geweigerd. Naar het oordeel van het College kan de geweigerde rit, gelet op de geringe afstand, als een korte rit worden aangemerkt. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt verder dat de chauffeur na het weigeren van het verzoek van de verbalisant zijn telefoon pakte, hierop keek voor ongeveer één minuut en toen uitstapte, waarop hij de twee mannen aansprak en tegen hen zei dat ze via de meter mee konden voor € 40,-. Deze bevindingen wijzen er niet op dat de chauffeur al een afspraak had gemaakt met deze mannen. De chauffeur heeft bovendien niet tegen de verbalisant gezegd dat hij aan het wachten was op andere klanten, die eerst hun broodje moesten opeten. De chauffeur is pas achteraf met dit verhaal gekomen. Daardoor is deze stelling ook niet meer te verifiëren. Als dit werkelijk het geval was, is het merkwaardig dat de chauffeur dit niet meteen tegen de verbalisant heeft gezegd, maar een andere reden noemde waarom hij de rit niet wilde doen. Het College ziet daarom onvoldoende grond voor zodanige twijfel aan de bevindingen van de toezichthouders dat deze niet aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
2.5
Gelet op het voorgaande staat vast dat de chauffeur artikel 8, tweede lid, aanhef en onder h, van de Nadere regels, heeft overtreden en daarom op grond van artikel 2.8, derde lid, onder c, van de Taxiverordening Breda, in beginsel bevoegd was om de KTB-vergunning van de chauffeur te schorsen of in te trekken.
2.6
In de handhavingsmatrix is neergelegd op welke wijze het college van b en w van die bevoegdheid gebruikmaakt. De chauffeur heeft geen gronden aangevoerd tegen deze handhavingsmatrix als zodanig. Deze is aan te merken als een beleidsregel als bedoeld in artikel 4:81 van Pro de Awb. Daarom toetst het College de evenredigheid van de intrekking van de KTB-vergunning in het kader van artikel 4:84 van Pro de Awb. De twee eerdere overtredingen staan in rechte vast. Door na de derde overtreding over te gaan tot intrekking van de KTB-vergunning, heeft het college van b en w conform zijn beleid gehandeld, zoals weergegeven in de handhavingsmatrix. De intrekking van de KTB-vergunning is een discretionaire bevoegdheid waarbij een afweging van de betrokken belangen moet worden gemaakt. Het College is van oordeel dat het college van b en w die belangenafweging in het nadeel van de chauffeur heeft mogen laten uitvallen. De maatregel van intrekking van de KTB-vergunning is geschikt voor de handhaving van de Nadere regels en kan na de eerdere waarschuwing en schorsing ook als noodzakelijk worden aangemerkt. Het College acht het intrekken van de KTB-vergunning ook niet onevenwichtig. Weliswaar heeft de intrekking van de KTB-vergunning ernstige financiële gevolgen, maar daar staat tegenover dat de chauffeur een gewaarschuwd mens was. Hij wist dat hij na twee overtredingen op scherp stond en heeft desondanks het risico genomen een korte rit te weigeren. Verder kan hij een half jaar na het intrekkingsbesluit een nieuwe KTB-vergunning aanvragen. De intrekking ziet dus op een beperkte periode. Bovendien mag de chauffeur nog wel taxivervoer aanbieden buiten de opstapmarkt om, bijvoorbeeld via de bel- of contractmarkt. Het college van b en w heeft daarom niet op grond van artikel 4:84 van Pro de Awb hoeven af wijken van de Handhavingsmatrix.
Slotsom
3.1
Het beroep is ongegrond. De intrekking van de KTB-vergunning blijft in stand. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.
w.g. J.L. Verbeek w.g. A.M. Slierendrecht

Bijlage

Wet personenvervoer 2000
Artikel 79
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over:
[..]
e. de eisen en verplichtingen te stellen aan vervoerders die taxivervoer verrichten en aan bestuurders van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht;
[..]
Artikel 82
1. Bij of krachtens gemeentelijke verordening kunnen regels worden gesteld die in het belang zijn van de kwaliteit van op de gemeentelijke openbare weg aangeboden taxivervoer.
2 De in het eerste lid bedoelde regels strekken tot aanvulling van de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen en hebben geen betrekking op andere onderwerpen dan die van de artikelen 82a en 82b.
Artikel 82a
1. Bij of krachtens gemeentelijke verordening kunnen regels worden gesteld over:
a. de herkenbaarheid van een auto waarmee taxivervoer op de gemeentelijke openbare weg wordt aangeboden;
b. de eisen en verplichtingen te stellen aan bestuurders van een in onderdeel a bedoelde auto;
[..]
3 De in het eerste lid bedoelde regels kunnen betrekking hebben op een verplichting voor de in dat lid bedoelde bestuurders om vanaf een of meer daartoe bij gemeentelijke verordening aangewezen locaties, consumenten op hun verzoek te vervoeren.
[..]
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Breda houdende regels omtrent taxi’s Taxiverordening Breda
Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
[..]
- KTB-vergunning: Kwaliteitstaxi Breda vergunning, vergunning die door burgemeester en wethouders kan worden afgegeven voor het aanbieden van taxivervoer voor de opstapmarkt in de gemeente Breda;
[..]
- Opstapmarkt: het aanbieden van taxivervoer vanaf daarvoor aangewezen taxistandplaatsen en via het aanhouden van een taxi door personen op de openbare weg waarbij de taxi niet per telefoon of ander communicatiemiddel is besteld;
[..]
Artikel 2.1 KTB-vergunning
1. Het is verboden om op het grondgebied van de gemeente Breda op de gemeentelijke openbare weg taxivervoer voor de opstapmarkt aan te bieden zonder geldige KTB-vergunning van burgemeester en wethouders of in afwijking daarvan.
[..]
Artikel 2.8
[..]
3. Burgemeester en wethouders kunnen een KTB-vergunning schorsen of intrekken indien: [..]
c. vergunninghouder taxivervoer verricht in strijd met de voorschriften en/of beperkingen die aan de KTB-vergunning zijn verbonden dan wel krachtens deze verordening gestelde nadere regels;
[..]
Nadere regels kwaliteitsbevordering straattaxivervoer Breda
Artikel 8
2. De houder van een Keurmerk:
[..]
c. draagt zorg voor schone en representatieve kleding en een verzorgd uiterlijk;
[..]
h. weigert geen korte ritten;
[..]
Besluit van het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van de gemeente Breda houdende regels omtrent de Handhavingsmatrix Breda 2020
[..]
Bijlage 11: Overtredingen die samenhangen met de Taxiverordening Breda
Regel
Wetsartikel / overtreding
Maatregel
5
Artikel 2.8, lid 3, sub c. Taxiverordening Breda
Niet handelen conform voorschriften/beperkingen die aan de KTB-vergunning dan wel de nadere regels kwaliteitsbevordering straattaxivervoer Breda zijn verbonden.
1ste constatering
Bestuurlijke waarschuwing
2de constatering binnen 2 jaar na bestuurlijke waarschuwing
Schorsen van de KTB-vergunning voor 4 weken
3de constatering binnen 2 jaar na vorige constatering
Intrekken van de KTB-vergunning