ECLI:NL:CBB:2026:333
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking KTB-vergunning wegens weigering korte rit en eerdere overtredingen
Een taxichauffeur in Breda beschikte over een KTB-vergunning voor het aanbieden van taxivervoer op de opstapmarkt. Op 5 mei 2024 weigerde hij een korte rit naar het Holland Casino, wat werd vastgesteld door toezichthouders in een proces-verbaal. Dit was de derde overtreding van voorschriften verbonden aan zijn vergunning; eerdere overtredingen betroffen het niet representatief gekleed zijn.
Het college van burgemeester en wethouders trok de vergunning per 10 juli 2024 in en verklaarde het bezwaar van de chauffeur ongegrond. De chauffeur stelde beroep in tegen deze intrekking. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde dat de weigering van de korte rit een overtreding was en dat het college van b en w bevoegd was de vergunning in te trekken.
De handhavingsmatrix van Breda voorziet bij een derde overtreding in intrekking van de vergunning. Het College vond de intrekking proportioneel en noodzakelijk, mede omdat de chauffeur gewaarschuwd was en na een schorsing toch opnieuw overtrad. De intrekking geldt voor een beperkte periode, waarna een nieuwe vergunning kan worden aangevraagd. Het beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep van de chauffeur wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de KTB-vergunning blijft in stand.