ECLI:NL:CBB:2026:336

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
24/416
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 4:5 AwbArt. 18 Algemene groepsvrijstellingsverordeningArt. 22 Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidiesArt. 27 Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister wijst subsidieaanvraag onterecht af wegens ontbrekende verklaring

De ondernemer diende een subsidieaanvraag in voor investeringen in landbouwbedrijfsmiddelen, waarbij een ingevulde en ondertekende verklaring vereist was om te bevestigen dat hij geen onderneming in moeilijkheden was. De minister wees de aanvraag af omdat deze verklaring ontbrak, zonder de ondernemer de kans te geven deze alsnog aan te vullen.

De aanvraag werd ondanks een technische storing in de aanvraagmodule betrokken bij een loting, waarbij de aanvraag van de ondernemer ruimschoots binnen het subsidieplafond viel. De ondernemer had per abuis het blanco formulier meegestuurd, terwijl het ingevulde formulier al klaarstond.

Het College oordeelde dat de minister in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel (art. 3:2 Awb Pro) handelde door de ondernemer niet toe te staan de verklaring alsnog in te dienen. De minister kon niet aantonen dat dit onmogelijk was vanwege het subsidieplafond of belangen van andere aanvragers.

Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de alsnog overgelegde verklaring wordt betrokken. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de ondernemer.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de minister tot afwijzing van de subsidieaanvraag wordt vernietigd.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/416

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] (ondernemer)

(gemachtigde: mr. ir. J.L. Mieras)
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. S.F. Hu)

Procesverloop in beroep

De ondernemer heeft tegen het besluit op bezwaar van 12 april 2024 (bestreden besluit) beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 22 april 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: de ondernemer, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister.

Inleiding

1.1
De ondernemer heeft een subsidie aangevraagd op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies, titel 2.22 Geïntegreerde gewasbescherming Investeringen (2023) (Regeling), voor de aanschaf van twee bedrijfsmiddelen, te weten een schijveneg en een ecoploeg
.Om voor deze subsidie in aanmerking te komen, mag een onderneming niet een ‘onderneming in moeilijkheden’ zijn, zoals bedoeld in artikel 18 van Pro de Algemene groepsvrijstellingsverordening. Daarom moet bij de subsidieaanvraag een ‘verklaring geen onderneming in moeilijkheden’ (verklaring) worden gevoegd. Ten behoeve van deze verklaring heeft de minister een formulier ter beschikking gesteld. Dit formulier is door de minister al grotendeels ingevuld. De subsidie-aanvrager hoeft het formulier slechts aan te vullen met naam- en adresgegevens, de datum en zijn handtekening.
1.2
De aanvraagperiode voor deze subsidie liep van vrijdag 1 september 2023, 9:00 uur tot vrijdag 29 september 2023, 17:00 uur. De ondernemer heeft zijn aanvraag digitaal ingediend op 2 september 2023 om 8:55 uur. Uit artikel 2.22.3.4 van de Regeling en artikel 27, eerste en derde lid, van het Kaderbesluit Nationale EZK- en LNV-subsidies (Kaderbesluit), volgt dat de minister het subsidieplafond van € 3.500.000,- verdeelt op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Als de minister op de dag dat het subsidieplafond wordt bereikt meer dan één aanvraag ontvangt, stelt hij de volgorde van die aanvragen vast door middel van loting.
1.3
Op de eerste dag van de aanvraagperiode, vrijdag 1 september 2023, was er een technische storing in de aanvraagmodule. De minister heeft om die reden besloten om, in afwijking van artikel 27, eerste en derde lid, van het Kaderbesluit, alle aanvragen die zijn binnengekomen tot en met maandag 4 september 2023 mee te nemen in de loting.
Op 4 september 2023 was namelijk de storing verholpen. Bovendien was toen duidelijk dat het subsidieplafond zou worden bereikt met de tot dan toe binnengekomen aanvragen. De minister heeft de aanvragen op basis van de met de loting vastgestelde volgorde behandeld, totdat het subsidieplafond was bereikt. De resultaten van de loting zijn op 16 oktober 2023 gepubliceerd. De aanvraag van de ondernemer is op plaats 55 geëindigd. Tijdens de zitting heeft de minister verklaard dat de aanvraag van de ondernemer daarmee ruimschoots binnen het subsidieplafond viel.
1.4
Desondanks heeft de minister de aanvraag van de ondernemer met het besluit van 7 december 2023 afgewezen, omdat de verklaring die bij de aanvraag was gevoegd niet was ingevuld en ondertekend. De minister heeft de ondernemer geen gelegenheid geboden om alsnog een ingevulde en ondertekende verklaring in te dienen. In de bezwaarfase heeft de ondernemer alsnog een ingevulde en ondertekende verklaring overgelegd. Dit heeft niet tot een ander resultaat geleid. Met het bestreden besluit heeft de minister de afwijzing in stand gelaten. De minister heeft toegelicht dat hij op grond van artikel 22, eerste lid, aanhef en onder d, sub 2 van het Kaderbesluit een subsidieaanvraag van een onderneming die in financiële moeilijkheden verkeert moet afwijzen. Zonder ingevulde en ondertekende verklaring kon hij niet vaststellen of die situatie zich hier voordeed.

Beoordeling van het beroep

2.1
Het College is van oordeel dat de minister de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen vanwege het ontbreken van een ingevulde en ondertekende verklaring. Het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het College is als volgt tot dit oordeel gekomen.
2.2
De ondernemer heeft toegelicht dat hij de documenten die bij de subsidieaanvraag moesten worden gevoegd had klaargezet in een map op zijn computer. In die map stonden zowel het niet- ingevulde formulier zoals door de minister ter beschikking gesteld, als het ingevulde en ondertekende formulier. Bij het indienen van de subsidieaanvraag heeft de ondernemer per abuis het niet-ingevulde formulier toegevoegd. De minister heeft de ondernemer daar niet eerder op gewezen dan op 7 december 2023, de datum van de afwijzing van de subsidieaanvraag.
2.3
Het College volgt de minister niet in zijn standpunt dat het voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag niet meer mogelijk was de ondernemer in de gelegenheid te stellen om alsnog een ingevulde en ondertekende verklaring in te dienen. De minister beroept zich daarvoor op artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit, op grond waarvan de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften geldt als dag van binnenkomst. Als de ondernemer gelegenheid had gekregen op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb, om zijn aanvraag aan te vullen, zou op het moment waarop hij dat had gedaan, het subsidieplafond inmiddels ruimschoots zijn overschreden, aldus de minister. Aanvulling zou dus volgens de minister niet tot een subsidieverlening hebben kunnen leiden.
2.3.1
De minister heeft de aanvraag van de ondernemer inhoudelijk in behandeling genomen en bij de loting betrokken. De minister heeft de aanvraag dus niet met toepassing van artikel 4:5 van Pro de Awb buiten behandeling gesteld, maar afgewezen vanwege het ontbreken van een ingevulde en ondertekende verklaring. Zo staat het ook uitdrukkelijk in zowel het besluit op de aanvraag van 7 december 2023 als het bestreden besluit. Door alle aanvragen die tot en met 4 september 2023 zijn binnengekomen bij de loting te betrekken, is de minister afgeweken van artikel 27, eerste lid, van het Kaderbesluit. Hij heeft daarbij de verdeling op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, waarvoor in de Regeling in eerste instantie was gekozen, losgelaten. Dat lijkt de minister overigens terecht te hebben gedaan, vanwege de storing in de aanvraagmodule. Gelet op de opbouw en formulering van artikel 27 van Pro het Kaderbesluit, ziet artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit, op de situatie dat het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Omdat de minister het subsidieplafond niet op die manier heeft verdeeld (niet meer kon verdelen), is deze bepaling dus ook niet meer van toepassing op de aanvraag van de ondernemer. Daarom staat de bepaling er ook niet aan in de weg om gelegenheid te bieden tot herstel van de aanvraag alvorens erop wordt beslist. Nu het tweede lid van artikel 27 van Pro het Kaderbesluit niet van toepassing is, geldt immers dat de aanvraag geacht moet worden te zijn binnengekomen op de dag van ontvangst door de minister.
2.3.2
Op de zitting heeft de minister uitgelegd dat het te veel tijd zou hebben gekost om de aanvragen eerst op volledigheid te controleren, voordat tot loting werd overgegaan. Daardoor is dus ook toepassing van artikel 4:5 van Pro de Awb achterwege gebleven en is de aanvraag, hoewel onvolledig, toch in behandeling genomen. De minister heeft de aanvraag dan ook terecht betrokken bij de loting.
2.3.3
Als een aanvraag niet met toepassing van artikel 4:5 van Pro de Awb buiten behandeling is gesteld is in het algemeen een bestuursorgaan nog steeds bevoegd die aanvraag af te wijzen als bij de aanvraag onvoldoende informatie is overgelegd om die te kunnen beoordelen. Het in artikel 3:2 van Pro de Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel kan dan wel meebrengen dat eerst de indiener alsnog de gelegenheid moet worden gegeven om het informatiegebrek te herstellen. In dit geval heeft de minister geen nadere argumenten aangevoerd waarom dat in dit geval niet meer zou hebben gekund. Het College gaat er daarom van uit dat de belangen van de andere subsidieaanvragers zich er niet tegen zouden hebben verzet. Van belang acht het College verder dat aanvulling in dit geval eenvoudig en snel uit te voeren was. De ondernemer hoefde namelijk alleen maar alsnog de verklaring van zijn persoonlijke gegevens te voorzien en te ondertekenen. Het gebrek zag niet op de materiële inhoud (de twee bedrijfsmiddelen) waarvoor de subsidie is aangevraagd. Er is daarom ook geen enkele reden om te veronderstellen dat in dit geval een onvolledige aanvraag is ingediend om concurrerende aanvragers te snel af te zijn. De verklaring die de ondernemer op de zitting heeft gegeven, dat hij per ongeluk het opgeslagen blanco formulier heeft meegestuurd in plaats van het ingevulde en ondertekende formulier dat hij in dezelfde map had klaarstaan, komt het College niet ongeloofwaardig voor.
2.3.4
De minister heeft dus in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb gehandeld door de ondernemer niet in de gelegenheid te stellen alsnog de ingevulde en ondertekende verklaring in te dienen. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb.
3. De minister heeft tijdens de zitting verklaard dat hij er niet aan twijfelt dat de ondernemer geen ‘onderneming in moeilijkheden’ is. Zoals overwogen onder 1.3 heeft de minister ook verklaard dat de aanvraag van de ondernemer ruimschoots binnen het subsidieplafond viel. In beginsel komt de ondernemer daarmee in aanmerking voor een subsidie. De minister dient daarom de ingevulde en ondertekende verklaring die de ondernemer bij het bezwaarschrift alsnog heeft overgelegd, bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar te betrekken.
Slotsom
4.1
Het beroep is gegrond. Het College zal het bestreden besluit vernietigen. Het College beschikt over onvoldoende informatie om het geschil definitief te kunnen beslechten. De minister moet binnen acht weken een nieuw besluit op het bezwaar nemen, waarbij hij de ingevulde en ondertekende verklaring betrekt.
4.2
Het College veroordeelt de minister in de door de ondernemer gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.868,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting; waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de aanwijzingen in deze uitspraak;
  • draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 187,- aan de ondernemer te vergoeden;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan de ondernemer.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.
w.g. J.L. Verbeek w.g. A.M. Slierendrecht

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:5
1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:
a. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of
de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, of
de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,
mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
(…)
Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies
Artikel 22
1. Onze Minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien:
(…)
d. de subsidie is bestemd voor:
(…)
2° een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in het toepasselijke Europese steunkader, tenzij het op grond van het toepasselijke Europese steunkader is toegestaan aan een onderneming in moeilijkheden subsidie te verlenen;
Artikel 27
1. Indien bij ministeriële regeling wordt gekozen voor verdeling van het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, komt de aanvraag die het eerst is binnengekomen, het eerst voor subsidie in aanmerking.
2. Indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt met betrekking tot de verdeling de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften als dag van binnenkomst.
3. Indien Onze Minister op de dag dat het subsidieplafond wordt bereikt meer dan één aanvraag ontvangt, stelt hij de volgorde van die aanvragen vast door middel van loting.
Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies, titel 2.22 Geïntegreerde gewasbescherming Investeringen (2023)
Artikel 2.22.3.4.
De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.