Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen
Maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [woonplaats] (pluimveebedrijf)
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Procesverloop
Overwegingen
2 september 2022 is aangehouden. Volgens de minister moet de ijkdatum 1 september 2022 zijn. Dit is de dag dat de besmetverklaring volgens de minister telefonisch aan het pluimveebedrijf is doorgegeven. In het bestreden besluit is de minister bij dit standpunt gebleven.
1 september 2022 als datum van de besmetverklaring en als ijkdatum voor het bepalen van de tegemoetkoming in de schade. Het pluimveebedrijf ontkent op 1 september 2022 een telefonische mededeling van de minister te hebben ontvangen over de besmetverklaring en de bestrijdingsmaatregelen. Het pluimveebedrijf voert aan dat de ijkdatum voor het bepalen van de tegemoetkoming in de schade op 2 september 2022 (de datum van de schriftelijke mededeling besmetverklaring), of 3 september 2022 (de datum van de ruiming van de dieren) moet worden gesteld. Het pluimveebedrijf stelt dat uit niets blijkt dat de minister op
1 september 2022 de besmetverklaring mondeling heeft doorgegeven.
2 september 2022 zouden worden geruimd. Omdat de NVWA op dat moment te weinig gas had, is de ruiming uitgesteld tot 3 september 2022. In de tussentijd moest het pluimveebedrijf de dieren nog wel verzorgen. Hierdoor heeft het pluimveebedrijf niet alleen meer kosten gemaakt, maar zijn de dieren ook in gewicht toegenomen. Het pluimveebedrijf vindt het in deze situatie, waarin de controle over het bedrijf in handen was van de NVWA, de ruiming door toedoen van de NVWA een dag was uitgesteld en hij in de tussentijd wel kosten heeft gemaakt, niet meer dan redelijk en billijk dat de extra kosten van verzorging ook worden vergoed.
2 september 2022 als ijkmoment, zijn de besluiten in strijd met artikel 4.1 van het Besluit diergezondheid.De beroepsgrond slaagt.
3 september 2022. In de tussentijd heeft het pluimveebedrijf de dieren nog moeten verzorgen. Het pluimveebedrijf stelt zich op het standpunt dat de extra kosten van verzorging (ook) vergoed moeten worden. Het College leest hierin een beroep op de verzorgingsvergoeding op grond van artikel 9.12 van de Wet dieren en artikel 4.2 van de Regeling diergezondheid.
2 september 2022 als ijkmoment is het besluit in strijd met artikel 4.1 van het Besluit diergezondheid. Het beroep is gelet daarop gegrond. Het College zal het bestreden besluit daarom vernietigen.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het tegemoetkomingsbesluit en bepaalt de tegemoetkoming op
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan het pluimveebedrijf te vergoeden;