Bijlage
Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie
Artikel 61, derde lid, luidt:
De nationale regelgevende instanties kunnen met name, en onverminderd de leden 1 en 2, op redelijk verzoek verplichtingen opleggen om toegang te verlenen tot bedrading en kabels en bijbehorende faciliteiten binnen gebouwen of tot aan het eerste punt van samenkomst of distributie als bepaald door de nationale regelgevende instantie, ingeval dat punt zich buiten het gebouw bevindt. Indien zulks gerechtvaardigd is omdat de replicatie van die netwerkelementen in economisch opzicht inefficiënt zou zijn of fysiek onuitvoerbaar zou zijn, kunnen dergelijke verplichtingen worden opgelegd aan aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken of aan de eigenaars van die bedrading en kabels en bijbehorende faciliteiten indien die eigenaars geen aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken zijn. De voorwaarden inzake toegang die worden opgelegd, kunnen specifieke voorschriften omvatten betreffende toegang tot die netwerkelementen en tot bijbehorende faciliteiten en aanverwante diensten, betreffende transparantie en niet-discriminatie, en betreffende een omslagregeling voor de toegangskosten die, indien passend, worden aangepast naargelang van risicofactoren.
Indien een nationale regelgevende instantie, in voorkomend geval met inachtneming van de verplichtingen die voortvloeien uit een relevante marktanalyse, concludeert dat de overeenkomstig de eerste alinea opgelegde verplichtingen onvoldoende de hoge en niet-tijdelijke economische of fysieke drempels voor replicatie aanpakken die ten grondslag liggen aan een bestaande of opkomende marktsituatie die de concurrentie-uitkomsten voor eindgebruikers in aanzienlijke mate beperkt, kan zij, onder billijke en redelijke voorwaarden de toegangsverplichtingen uitbreiden voorbij het eerste punt van samenkomst of distributie, zodat een punt wordt bereikt dat volgens haar het dichtst bij eindgebruikers ligt, dat in staat is een toereikend aantal eindgebruikersverbindingen te bereiken om commercieel haalbaar te zijn voor efficiënte toegangsverzoekers. Bij het bepalen hoe ver voorbij het eerste punt van samenkomst of distributie die uitbreiding moet gaan, houdt de nationale regelgevende instantie zoveel mogelijk rekening met de betrokken Berec-richtsnoeren. Indien gerechtvaardigd in technisch of economisch opzicht kunnen de nationale regelgevende instanties actieve- of virtuele toegangsverplichtingen opleggen.
De nationale regelgevende instanties leggen geen verplichtingen overeenkomstig de tweede alinea op aan aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken indien zij constateren dat:
a. a) de aanbieder bezit de in artikel 80, lid 1, genoemde kenmerken en voorziet in een haalbare en vergelijkbare alternatieve manier om eindgebruikers te bereiken door aan ondernemingen onder billijke, niet-discriminerende en redelijke voorwaarden toegang tot een netwerk met zeer hoge capaciteit aan te bieden; de nationale regelgevende instanties kunnen die vrijstelling uitbreiden tot andere ondernemingen die onder billijke, niet-discriminerende en redelijke voorwaarden toegang tot een netwerk met zeer hoge capaciteit aanbieden; of
b) het opleggen van verplichtingen de economische of financiële levensvatbaarheid van de uitrol van een nieuw netwerk, met name door kleine lokale projecten, in het gedrang zou brengen.
In afwijking van punt a) van de derde alinea kunnen de nationale regelgevende instanties verplichtingen opleggen aan aanbieders van elektronischecommunicatienetwerken die voldoen aan de criteria in dat punt indien het betrokken netwerk uit openbare middelen wordt gefinancierd.
Uiterlijk op 21 december 2020, maakt Berec richtsnoeren ter bevordering van een consistente toepassing van dit lid bekend door de relevante criteria te beschrijven voor het bepalen van:
a. a) het eerste punt van samenkomst of distributie;
b) het punt voorbij het eerste punt van samenkomst of distributie dat in staat is een voldoende aantal eindgebruikers verbindingen te bereiken zodat een efficiënte onderneming de aanzienlijke obstakels voor repliceerbaarheid kan overwinnen;
c) de uitgerolde netwerken die als nieuw kunnen worden beschouwd;
d) de projecten die als klein kunnen worden beschouwd; en
e) de economische of fysieke belemmeringen voor replicatie die hoog en niet-tijdelijk zijn.
Randnummer 154 luidt, voor zover hier relevant:
Wanneer de nationale regelgevende instanties nagaan tot welk concentratie- of distributiepunt zij toegangs verplichtingen willen opleggen, is het belangrijk dat zij een punt overeenkomstig de Berec-richtsnoeren kiezen. De keuze van een punt dat zich dichter bij de eindgebruikers bevindt, zal gunstiger zijn voor de concurrentie op infrastructuurgebied en de uitrol van netwerken met zeer hoge capaciteit. (…)
Artikel 1.3, tweede lid, luidt:
De Autoriteit Consument en Markt houdt bij de uitoefening van haar taken en bevoegdheden zoveel mogelijk rekening met aanbevelingen van de Europese Commissie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van richtlijn (EU) 2018/1972, en met door BEREC gegeven adviezen en gemeenschappelijke standpunten, voor zover die aanbevelingen, adviezen en standpunten betrekking hebben op de bij of krachtens deze wet aan de Autoriteit Consument en Markt opgedragen taken of verleende bevoegdheden.
Artikel 6.3, eerste, derde, vierde en negende lid, luidt:
1. De Autoriteit Consument en Markt kan met het oog op de doelstellingen, bedoeld in
artikel 3, tweede en vierde lid, van richtlijn (EU) 2018/1972, op een redelijk verzoek verplichtingen opleggen om toegang te verlenen tot:
a. kabels of bijbehorende faciliteiten binnen gebouwen of,
b. indien het dichtst bij het netwerkaansluitpunt gelegen punt van samenkomst zoals bepaald door de Autoriteit Consument en Markt buiten het gebouw ligt, kabels of bijbehorende faciliteiten tot dat eerste punt van samenkomst,
indien naar haar oordeel replicatie van die kabels of bijbehorende faciliteiten economisch inefficiënt of fysiek onuitvoerbaar is, welke verplichtingen kunnen worden opgelegd aan een aanbieder van elektronische communicatienetwerken of de bijbehorende faciliteiten of aan een rechthebbende van de kabels of de bijbehorende faciliteiten.
3. De Autoriteit Consument en Markt kan met het oog op de doelstellingen, bedoeld in het eerste lid, aan een aanbieder van een elektronisch communicatienetwerk onder billijke voorwaarden verplichtingen opleggen om toegang tot het netwerk te verlenen tot een punt van samenkomst dat enerzijds zo dicht mogelijk bij het netwerkaansluitpunt is gelegen en anderzijds, gelet op het aantal aangesloten eindgebruikers, het mogelijk maakt voor een efficiënte aanbieder op economisch haalbare wijze elektronische communicatiediensten aan te bieden.
4. De Autoriteit Consument en Markt houdt bij de toepassing van het derde lid rekening met verplichtingen die zijn opgelegd op grond van hoofdstuk 6a en kan de in het derde lid bedoelde verplichtingen alleen opleggen indien zij van oordeel is:
a. dat sprake is van grote en niet-tijdelijke economische of fysieke belemmeringen voor replicatie van het netwerk of de bijbehorende faciliteiten die een marktsituatie hebben veroorzaakt of naar verwachting zullen veroorzaken die aanzienlijke gevolgen heeft voor eindgebruikers wat betreft keuze, prijs en kwaliteit; en
b. dat die belemmeringen onvoldoende kunnen worden weggenomen met de oplegging van verplichtingen zoals bedoeld in het eerste lid.
9. Uiterlijk binnen vijf jaar nadat een verplichting is opgelegd als bedoeld in het eerste, derde of vijfde lid, beoordeelt de Autoriteit Consument en Markt de resultaten daarvan en besluit zij de opgelegde verplichting in stand te houden, in te trekken of te wijzigen.
Artikel 6a1, vijfde lid, luidt:
Het in het derde en vierde lid bedoelde onderzoek is er in ieder geval op gericht om vast te stellen:
a. of, getoetst overeenkomstig artikel 67, eerste en tweede lid, van richtlijn (EU) 2018/1972, in de desbetreffende markt:
1°.hoge en niet-tijdelijke toegangsbelemmeringen aanwezig zijn;
2°.vanwege de marktstructuur daadwerkelijke mededinging niet binnen de relevante periode te verwachten is; en
3°.het mededingingsrecht alleen niet voldoende is om vastgesteld marktfalen aan te pakken;
b. of op de markt, bedoeld in onderdeel a, ondernemingen actief zijn die openbare elektronische communicatienetwerken, bijbehorende faciliteiten of openbare elektronische communicatiediensten aanbieden en die beschikken over een aanmerkelijke marktmacht; en
c. welke verplichtingen als bedoeld in de artikelen 6a.6 tot en met 6a.10 en 6a.12 tot en met 6a.15 passend zijn voor de ondernemingen die beschikken over een aanmerkelijke marktmacht, bedoeld in onderdeel b.
BEREC Guidelines on the Criteria for a Consistent Application of Article 61 (3) EECC
Randnummers 31 tot en met 39 van de BEREC-richtsnoeren luiden als volgt:
31 In order for access obligations to be effective, other operators must be able to reach and access the first concentration or distribution point and use the relevant wiring, cables and associated facilities. The first concentration or distribution point is therefore the first concentration or distribution point closest to end-users, which is reasonably accessible, taking the principle of proportionality into account. The following paragraphs set out the criteria to be used when assessing the accessibility.
32 Accessibility requires an accessible and manageable distribution facility to allow the establishment of a connection between the access seeker’s network and the network infrastructure of the owner of the network. This facility should have enough space to allow access seekers to perform technical operations. It could be located in the basement of a building, in a street cabinet or in any similar suitable facility. Accessibility is less likely to be fulfilled if the access point is buried under ground and is not easily accessible via e.g. manholes. The access point should continuously allow the execution of standard operations requiring physical access (e.g. maintenance). A suitable facility for the first concentration or distribution point should allow access seekers reasonable flexibility in their technological choices and enable them to host their equipment at this point, e.g. optical splitters.
33 Accessibility usually requires detachable connections (such as patch fields or plug connections) and is more likely to be fulfilled if cutting and splicing is possible without unreasonable effort by the ECN provider or network owner.
34 If a concentration or distribution point under consideration is located inside a building (e.g. in the basement of a multi-dwelling building), the existence and extent of difficulties for access seekers to regularly enter the building should be assessed. Differences in accessibility in this regard may arise if the owner of the network in a building does not coincide with the owner of the building. If there are major difficulties to enter or access a building, NRAs should determine an access point outside a building.
35 Accessibility of access points inside or outside buildings may also be altered by legal and administrative constraints exogenous to telecom regulation relating to national and regional contexts, such as urban planning rules or safety standards. Such constraints should be taken into account by NRAs when determining the first concentration or distribution point.
36 Accessibility in the sense of entering the first concentration or distribution point may also depend on the infrastructure in the proximity of the access point available to the other operators which can potentially be used (e.g. ducts, poles, dark fibre). Thus, capacity considerations regarding those network elements (e.g. space in ducts, capacity on poles) could also have an impact on the accessibility.
37 The first concentration or distribution point should normally be determined as a physically accessible point close to the end-user where passive access to wirings, cables and associated facilities is possible. However, exceptionally in cases where the accessibility requirements for providing passive access cannot be met at a point that is reasonably close to the end-user, NRAs may determine the first concentration or distribution point on the grounds of active or virtual accessibility.
38 Determination of the first concentration or distribution point should not be affected by replicability considerations and the number of hosted end-user connections that an efficient access seeker needs for commercial viability. Instead, such considerations come into play when determining whether or not to impose access obligations on the first concentration or distribution point and when determining the point beyond the first concentration or distribution point (see items (b) and (e) below).
39 Having regard to the explanations in paragraphs 23 to 38, NRAs should take utmost account of the following criteria, when determining the first concentration or distribution point:
The first concentration or distribution point, pursuant to Art. 61 (3) subparagraph 1 EECC, is the point situated closest to the end-user that
i. is accessible or can be made accessible without unreasonable effort by the ECN provider or network owner, which in particular
a. entails a dedicated facility for concentration or distribution of network cables, e.g. a dedicated space in the basement of a building or a street cabinet, that can be accessed by the access seeker on a regular basis,
b. entails network infrastructure that can be unbundled without unreasonable effort by the access seeker, e.g. because there is a detachable connection, and
ii. is the first accessible concentration or distribution point located inside a building or the first subsequent accessible concentration or distribution point located outside a building.
44 The notion of “non-transitory” barriers refers to the period of time during which an obstacle is expected to persist. Barriers to replication can be viewed as non-transitory if they are likely to persist in the long-term. If, however, there are sufficient indicators that barriers may disappear or significantly diminish in the short term, the barriers in question should not be considered as non-transitory. Examples of transitory barriers are legal or administrative barriers that are very likely to change in the near future.