AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake hertoelating biocide en intrekkingsbesluiten
Verzoekster 1 heeft een aanvraag om hertoelating van een biocide ingediend, welke door het Ctgb is afgewezen wegens het niet tijdig aanleveren van gevraagde informatie. Het bezwaar tegen dit besluit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat was ingediend. Daarnaast trok het Ctgb ambtshalve de toelating van het moedermiddel en afgeleide middelen in, waartegen ook bezwaren niet-ontvankelijk werden verklaard wegens gebrek aan procesbelang.
Verzoeksters vroegen de voorzieningenrechter om voorlopige voorzieningen om de intrekkingsbesluiten te schorsen en verzoekster 1 de gelegenheid te geven de aanvraag te completeren. De voorzieningenrechter oordeelde dat er weliswaar sprake was van spoedeisend belang vanwege financieel belang en concurrentiepositie, maar dat het afwijzingsbesluit op juiste wijze elektronisch was bekendgemaakt via het Register for Biocidal Products (R4BP 3).
De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoekster 1 impliciet kenbaar had gemaakt via R4BP 3 bereikbaar te zijn en dat het bericht binnen de termijn was gelezen. Er was geen reden om aan te nemen dat de termijnoverschrijding van het bezwaar verschoonbaar was. Daarom werden de verzoeken om voorlopige voorziening afgewezen en hoefde het Ctgb geen proceskosten te betalen.
Uitkomst: De verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen wegens te laat ingediend bezwaar en juiste elektronische bekendmaking via R4BP 3.
Uitspraak
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummers: 25/1004, 25/1006, 25/1008 en 25/1010
uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 februari 2026 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen
Melspring International B.V., te Velp (verzoekster 1)
Interhiva B.V., te Barneveld (verzoekster 2)Pomaz B.V., te Geldrop (verzoekster 3)
(samen aangeduid als: verzoeksters)
(gemachtigde: mr. [naam 3] )
en
het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb)
(gemachtigde: mr. D.E. Stalder )
Procesverloop
Met het besluit van 2 juli 2025 heeft het Ctgb de aanvraag van verzoekster 1 om hertoelating van een bepaalde biocide afgewezen. Met het besluit van 17 november 2025 (bestreden besluit 1) heeft het Ctgb het tegen dit besluit door verzoekster 1 gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Met vier afzonderlijke besluiten van 17 september 2025 heeft het Ctgb de (afgeleide) toelatingen van vier middelen ambtshalve ingetrokken. Met het besluit van 18 december 2025 (bestreden besluit 2) heeft het Ctgb het tegen deze vier besluiten door verzoeksters gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoeksters hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De zitting was op 11 februari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen namens verzoeksters: [naam 1] , [naam 2] en mr. [naam 3] , en namens het Ctgb: mr. D.E. Stalder , [naam 4] , mr. [naam 5] en [naam 6] .
Overwegingen
Inleiding
1.1
Verzoekster 1 heeft voor een bepaalde biocide (het moedermiddel) sinds 7 juni 1996 een toelating voor de Nederlandse markt. In verband met de overgangsregeling in Verordening (EU) Nr. 528/2012 (Biocidenverordening) heeft verzoekster 1 een aanvraag om hertoelating van het moedermiddel tot de Nederlandse markt ingediend. Het Ctgb heeft deze aanvraag met het besluit van 2 juli 2025 (afwijzingsbesluit) afgewezen, omdat verzoekster 1 de door het Ctgb gevraagde en voor de beoordeling benodigde informatie niet binnen de hiervoor geldende termijn van 90 dagen heeft ingediend. Het Ctgb heeft het tegen het afwijzingsbesluit gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift pas op 18 september 2025 en daarmee te laat was ingediend.
1.2
Met vier besluiten van 17 september 2025 (intrekkingsbesluiten) heeft het Ctgb de toelating van het moedermiddel en de daarvan afgeleide toelatingen ambtshalve ingetrokken. Het Ctgb heeft de door verzoeksters tegen deze intrekkingen gemaakte bezwaren kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat verzoekers geen procesbelang hebben bij de uitkomst van de bezwaarprocedure. Zolang de hertoelating van het moedermiddel afgewezen blijft en dit middel dus niet meer is toegelaten, kunnen de hiervan afgeleide middelen ook niet worden toegelaten.
1.3
Verzoeksters hebben de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit 1 te schorsen en verzoekster 1 in de gelegenheid te stellen alsnog de aanvraag voor hertoelating van het moedermiddel te completeren. Verzoeksters hebben de voorzieningenrechter tevens verzocht de vier intrekkingsbesluiten te schorsen, dan wel de respijttermijnen die in de intrekkingsbesluiten zijn bepaald te verlengen met tenminste zes maanden of zoveel langer als nodig is om het beroep te beoordelen.
1.4
Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordelingskader verzoek om voorlopige voorziening
2 Op grond van het bepaalde in artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen zijn niet bindend voor de hoofdzaak.
Spoedeisend belang
3 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeksters de aanwezigheid van een spoedeisend belang voldoende aannemelijk hebben gemaakt. Verzoeksters hebben ter zitting toegelicht dat het zowel om een financieel belang als om het behoud van hun concurrentiepositie op de markt gaat. Het moedermiddel en de hiervan afgeleide middelen bedragen 6% van de totale omzet. De versnelde verkoop van de middelen in verband met de intrekkingen heeft vorig jaar bijgedragen aan een groot deel van de winst (50%) van de ondernemingen. Door de afwijzing van de aanvraag en de intrekking van de middelen verliezen verzoeksters hun concurrentiepositie op de Nederlandse markt. Er is dan nog maar één andere aanbieder van een vergelijkbaar middel over, die dan een monopoliepositie op de markt krijgt. Het zal voor verzoeksters heel lastig zijn om op een later moment hun positie op de markt te heroveren.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
4.1
Om de verzoeken te kunnen toewijzen, zal in beginsel sprake moeten zijn van een situatie waarin de voorzieningenrechter, ook zonder diepgaand onderzoek naar de feiten of het recht, de kans groot acht dat het College, oordelend op het beroep in de hoofdzaak, de bestreden besluiten op een of meer van de door verzoeksters in deze voorlopige voorzieningenprocedure aangevoerde gronden zal vernietigen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een dergelijke situatie. Daarvoor heeft zij het volgende overwogen.
4.2
Het Ctgb heeft het afwijzingsbesluit op 25 juni 2025 met een begeleidend schrijven elektronisch naar verzoekster 1 verzonden via het Register for Biocidal Products (R4BP 3) van de European Chemicals Agency. Niet in geschil is dat het afwijzingsbesluit op deze datum in R4BP 3 is geplaatst en niet (later) nog op een andere wijze is verzonden. Verzoeksters hebben aangevoerd dat het besluit niet overeenkomstig artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bekend is gemaakt. R4BP 3 kan volgens verzoeksters niet gebruikt worden voor de bekendmaking van besluiten. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt niet. R4BP 3 is het informatiesysteem dat in artikel 71 vanPro de Biocidenverordening verplicht is gesteld voor aanvragen, de uitwisseling en vastlegging van informatie en besluiten over aanvragen. R4BP 3 is dus juist bedoeld voor de bekendmaking van besluiten. Uit artikel 3:41 vanPro de Awb volgt niet dat de toezending niet uitsluitend elektronisch kan plaatsvinden. Daarvoor is wel vereist dat de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is (artikel 2:14, eerste lid, van de Awb (oud)).
4.3
Verzoeksters stellen dat zij nooit hebben ingestemd met elektronische bekendmaking. Dat zij tot het gebruik van R4BP 3 waren gedwongen betekent niet dat zij kenbaar hebben gemaakt langs die weg voldoende bereikbaar te zijn. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt niet. De gehele aanvraagprocedure voor de hertoelating van het moedermiddel, inclusief het verzoek om uitstel van het indienen van aanvullende gegevens en de communicatie hierover, verliep via R4BP 3. Op de zitting heeft de adviseur van verzoekster 1 ( [naam 2] ), die de aanvraag in behandeling had, ook verklaard dat hij in het systeem de e-mail notificatie had aangezet en dat zijn naam was gekoppeld aan deze aanvraagprocedure. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster 1 met deze handelingen in ieder geval impliciet kenbaar gemaakt dat zij via R4BP 3 voldoende bereikbaar was.
4.4
Verzoeksters stellen dat niet is bewezen dat de bekendmaking op de door het Ctgb gestelde wijze heeft plaatsgevonden, omdat de adviseur van verzoekster 1 noch andere medewerkers van verzoekster 1 dit bericht hebben ontvangen of gelezen. De voorzieningenrechter volgt ook dit standpunt van verzoeksters niet. Verzoeksters hebben niet betwist dat het afwijzingsbesluit (met bijlagen) op 25 juni 2025 in R4BP 3 is geplaatst. Uit R4BP 3 blijkt dat het begeleidend bericht van 25 juni 2025 bij het afwijzingsbesluit op 7 augustus 2025 om 16:35 is gelezen door ‘ [naam 7] ’. Verzoeksters hebben op de zitting uitgelegd dat [naam 7] weliswaar niet meer in dienst was van verzoekster 1 en ook niet was betrokken bij de aanvraag, maar dat hij voorheen als administrator wel het account voor R4BP 3 heeft aangemaakt. Via [naam 7] zijn vervolgens de rechten en de toegang tot het systeem verdeeld. De voorzieningenrechter acht het niet onaannemelijk dat nog steeds van het account van [naam 7] gebruik werd gemaakt om berichten in R4BP 3 te lezen. Ook in de eerdere communicatieberichten tussen de adviseur van verzoekster 1 en het Ctgb over het verzoek om uitstel van het indienen van de gevraagde gegevens staat namelijk soms ‘ [naam 7] ’ in de leesbevestiging van berichten. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de leesbevestigingen van 3 juni 2025 van het bericht van het Ctgb van 28 mei 2025 en die van 12 juni 2025 van het bericht van het Ctgb van 4 juni 2025. Verder heeft de adviseur van verzoekster 1 op de zitting verklaard dat hij in zijn mailbox geen notificatie heeft kunnen vinden, maar dat betekent niet dat geen notificatie is verstuurd. De adviseur van verzoekster 1 heeft immers verklaard de notificaties altijd aan te hebben staan. De adviseur heeft daarbij ook verklaard dat hij heel veel klanten heeft en dat notificaties ook wel eens in zijn spambox terechtkomen. Dat zou in dit geval dus ook kunnen zijn gebeurd. Wat verzoeksters op de zitting nog hebben aangevoerd over een mogelijke hack van het e-mailadres van [naam 7] acht de voorzieningenrechter vooralsnog onvoldoende om eraan te twijfelen dat het bericht in R4BP 3 van 25 juni 2025 door (een medewerker van) verzoekster 1 op 7 augustus 2025 is geopend en gelezen.
4.5
Uit het voorgaande volgt dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het afwijzingsbesluit van 2 juli 2025 op een juiste wijze bekend is gemaakt. Gelet hierop heeft het Ctgb het op 18 september 2025 ontvangen bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn. De voorzieningenrechter is verder niet gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Verzoeksters hebben dat ook niet gesteld.
Slotsom
5 Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorzieningen. Het Ctgb hoeft geen proceskosten te betalen.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Gijzen, in aanwezigheid van mr. M.L. Bosman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
w.g. A. van Gijzen w.g. M.L. Bosman
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bijlage wet- en regelgeving
Verordening (EU) Nr. 528/2012 (Biocidenverordening)
1. Het agentschap zet een informatiesysteem op dat het biocidenregister wordt genoemd, en houdt dat bij.
2. Het biocidenregister wordt gebruikt voor de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten, het agentschap en de Commissie, alsook tussen de aanvragers en de bevoegde autoriteiten, het agentschap en de Commissie.
3. Aanvragers gebruiken het biocidenregister voor het indienen van aanvragen en gegevens voor alle procedures die onder deze verordening vallen.
4. Bij de indiening van de aanvragen en gegevens door de aanvrager gaat het agentschap na of deze in de vereiste opmaak zijn ingediend en stelt het de desbetreffende bevoegde autoriteit onverwijld in kennis.
Wanneer het agentschap constateert dat de aanvraag niet in de vereiste opmaak is ingediend, wijst het de aanvraag af en stelt het de aanvrager daarvan in kennis.
5. Zodra de betrokken bevoegde autoriteit een aanvraag heeft gevalideerd of een aanvraag heeft aanvaard, stelt zij die via het biocidenregister ter beschikking aan alle andere bevoegde autoriteiten en het agentschap.
6. De bevoegde autoriteiten en de Commissie gebruiken het biocidenregister voor het vastleggen en meedelen van de besluiten die zij hebben genomen in verband met de toelatingen voor biociden en werken de informatie in het biocidenregister bij op het moment dat zulke besluiten worden genomen. De bevoegde autoriteiten actualiseren in het biocidenregister met name de informatie met betrekking tot de biociden die op hun grondgebied zijn toegelaten, waarvoor de nationale toelating werd geweigerd, gewijzigd, verlengd of ingetrokken, of waarvoor een vergunning voor parallelhandel is verleend, geweigerd of ingetrokken. De Commissie werkt met name de informatie bij met betrekking tot de biociden die in de Unie zijn toegelaten of waarvoor de toelating van de Unie werd geweigerd, gewijzigd, verlengd of ingetrokken.
De informatie die in het biocidenregister moet worden opgenomen omvat, indien van toepassing, het volgende:
a. a) de aan de toelating verbonden voorwaarden;
b) de samenvatting van de productkenmerken van het biocide als bedoeld in artikel 22, lid 2;
c) het beoordelingsrapport van het biocide.
De in dit lid bedoelde informatie wordt via het biocidenregister ook ter beschikking van de aanvrager gesteld.
7. Indien het biocidenregister per 1 september 2013 niet volledig operationeel is of na die datum niet langer operationeel is, blijven alle verplichtingen in verband met indiening en communicatie die overeenkomstig deze verordening op de lidstaten, de bevoegde autoriteiten, de Commissie en de aanvragers rusten, van toepassing. Met het oog op de eenvormige toepassing van dit lid, met name voor wat betreft de opmaak waarin informatie kan worden ingediend en uitgewisseld, stelt de Commissie volgens de in artikel 82, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure de nodige maatregelen vast. Die maatregelen zijn van tijdelijke aard en gelden slechts voor de periode die strikt noodzakelijk is voor het volledig operationeel worden van het biocidenregister.
8. De Commissie kan uitvoeringshandelingen betreffende nadere regels vaststellen betreffende het type informatie dat in het biocidenregister wordt opgenomen. Deze uitvoeringsmaatregelen worden vastgesteld volgens de in artikel 82, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.
9. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 83 gedelegeerdePro handelingen vast te stellen tot vastlegging van aanvullende regels betreffende het gebruik van het biocidenregister.
Artikel 79 FormulierenPro en software voor de indiening van informatie bij het agentschap
Het agentschap ontwikkelt formulieren en softwarepakketten, die het op zijn website gratis beschikbaar stelt, voor de indiening van informatie bij het agentschap. De bevoegde autoriteiten en de aanvragers gebruiken deze formulieren en softwarepakketten voor de indiening van informatie in het kader van deze verordening.
Het in artikel 6, lid 1, en artikel 20, bedoelde technisch dossier wordt ingediend met gebruikmaking van het speciale softwarepakket IUCLID.
Algemene wet bestuursrecht (bepalingen op het moment van het geding)
Artikel 2:14:
Een bestuursorgaan kan een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht, elektronisch verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is.
Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, geschiedt de verzending van berichten die niet tot een of meer geadresseerden zijn gericht, niet uitsluitend elektronisch.
Indien een bestuursorgaan een bericht elektronisch verzendt, geschiedt dit op een voldoende betrouwbare en vertrouwelijke manier, gelet op de aard en de inhoud van het bericht en het doel waarvoor het wordt gebruikt.
Artikel 2:17
Als tijdstip waarop een bericht door een bestuursorgaan elektronisch is verzonden, geldt het tijdstip waarop het bericht een systeem voor gegevensverwerking bereikt waarvoor het bestuursorgaan geen verantwoordelijkheid draagt of, indien het bestuursorgaan en de geadresseerde gebruik maken van hetzelfde systeem voor gegevensverwerking, het tijdstip waarop het bericht toegankelijk wordt voor de geadresseerde.
Als tijdstip waarop een bericht door een bestuursorgaan elektronisch is ontvangen, geldt het tijdstip waarop het bericht zijn systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt.
Artikel 3:41
De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
Indien de bekendmaking van het besluit niet kan geschieden op de wijze als voorzien in het eerste lid, geschiedt zij op een andere geschikte wijze.