Uitspraak
de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Beverwijk,
[pachtster],
Het geding in eerste aanleg
Het geding in hoger beroep
De grieven
De mondelinge behandeling
A] heeft desgevraagd verklaard dat verpachtster in onderhandeling is met een kerkbestuur over de aankoop van de nabij het gepachte gelegen gronden van de kerk.
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
“verklaart voor recht dat de tussen partijen gesloten pachtovereenkomst inzake los land met betrekking tot de percelen tuinbouwgrond kadastraal bekend gemeente [gemeente in de provincie Noord-Holland], [kadastrale aanduidingen] ter grootte van in totaal 00.81.40 ha een reguliere pachtovereenkomst is, waarop tot 1 september 2007 de bepalingen genoemd in artikel 70f lid 5 aanhef Pachtwet onverkort van toepassing waren, met dien verstande dat ingeval de grondkamer de overeengekomen duur goedkeurt artikel 37 Pachtwet Pro op de pachtovereenkomst van toepassing was en ingeval de grondkamer die goedkeuring onthoudt artikel 36 Pachtwet Pro, alsmede dat ingeval de pachtovereenkomst ook na 1 september 2007 voortduurt, vanaf dat tijdstip op de pachtovereenkomst de artikelen 7:313 lid 2, 319 lid 1 onder a, c en d, 325, 327, 328, 332, 333, 363 tot en met 374, 378 t/m 384, 399a en 399c lid 1 Burgerlijk Wetboek onverkort van toepassing zijn”.
In onderdeel 2.8 van genoemd arrest overweegt het hof:
“Partijen dienen de overeenkomst opnieuw naar de grondkamer in te zenden en daarbij duidelijk te maken dat sprake is van een reguliere pachtovereenkomst. Bij die gelegenheid zal de Gemeente desgewenst kunnen toelichten waarom sprake is van bijzondere omstandigheden die tot goedkeuring van de overeengekomen duur moeten leiden. De Gemeente dient de grondkamer op de hoogte te brengen van de inhoud van dit arrest alsmede van het arrest van 10 februari 2009. De grondkamer zal vervolgens dienen te beslissen of aanleiding bestaat om de overeengekomen duur goed te keuren.”
Verpachtster heeft voorts niet, althans onvoldoende, aannemelijk gemaakt dat op 1 januari 2003 sprake was van een zodanig concrete planvorming ten behoeve van de vervolgens ter plaatse door haar gewenste woonbestemming dat realisering daarvan redelijkerwijze binnen de wettelijke duur van zes jaar te verwachten was, zodat deswege voor haar aanleiding bestond om over te gaan tot verpachting van de onderhavige percelen tuinland voor een kortere dan die wettelijke duur. Ook anderszins is de Centrale Grondkamer hiervan niet gebleken.