ECLI:NL:CG:2011:3
Centrale Grondkamer
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling buitensporigheid van bodemonderzoek- en saneringsverplichtingen in pachtovereenkomst
De zaak betreft een geschil tussen de Staat der Nederlanden als verpachtster en een pachter over de goedkeuring van een pachtovereenkomst met bepalingen over bodemonderzoek en sanering. De grondkamer Zuid had eerder artikel 9, lid 6 en 7 van de overeenkomst geschrapt wegens buitensporigheid. Verpachtster ging hiertegen in hoger beroep en verzocht om handhaving of wijziging van deze bepalingen.
De Centrale Grondkamer beoordeelde zelfstandig de zaak en oordeelde dat artikel 9, lid 6 verpachtster het recht geeft om zonder rechterlijke tussenkomst en zonder ingebrekestelling een bodemonderzoek op kosten van de pachter te laten uitvoeren bij vermeende wanprestatie. Tevens legt het artikel een eenzijdige verplichting op aan de pachter om het gepachte naar de maatstaven van verpachtster te saneren, wat niet overeenkomt met normale pachtverhoudingen.
De voorgestelde wijziging door verpachtster, die het criterium van 'gerede aanleiding' verving door 'redelijk vermoeden', bracht geen wezenlijke verbetering. De Centrale Grondkamer bevestigde daarom de eerdere beschikking en verklaarde artikel 9, lid 6 en 7 als buitensporig in de zin van artikel 7:319 lid 1 sub b BW Pro. De pachtovereenkomst werd goedgekeurd met deze artikelen geschrapt.
Uitkomst: De Centrale Grondkamer bevestigt de schrapping van artikel 9, lid 6 en 7 van de pachtovereenkomst wegens buitensporigheid.