Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CG:2011:4

Centrale Grondkamer

Datum uitspraak
8 september 2011
Publicatiedatum
8 maart 2024
Zaaknummer
GP 11.663
Instantie
Centrale Grondkamer
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:319 BWArt. 7:333 BWArt. 36 Uitvoeringswet grondkamersArt. 69 Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse VeenkoloniënArt. 70 Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep verpachtster tegen pachtprijs na ruilverkaveling

De zaak betreft een beroepschrift van verpachtster tegen een beschikking van de Grondkamer Noord die een pachtwijzigingsovereenkomst goedkeurde na een ruilverkaveling waarbij het pachtobject werd gewijzigd. Verpachtster verzocht om aanpassing van de pachtprijs naar € 372,54 per hectare, stellende dat de kwaliteit van de grond was toegenomen.

De Centrale Grondkamer overwoog dat de pachtwijzigingsovereenkomst niet ongewijzigd was goedgekeurd, maar dat de wijziging niet nadelig was voor verpachtster en enkel diende om te voldoen aan wettelijke eisen. Daarnaast is volgens artikel 7:333 BW Pro de pachtprijs van rechtswege herzien en is een grondkamerbeslissing daarvoor niet vereist.

Verpachtster had een verzoek tot herziening van de pachtprijs moeten indienen conform artikel 7:333 lid 2 en Pro 3 BW bij de bevoegde grondkamer, wat niet was gebeurd. Hierdoor werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak werd gedaan door vijf leden van de Centrale Grondkamer op 8 september 2011.

Uitkomst: Het beroep van verpachtster tegen de pachtprijswijziging is niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

CENTRALE GRONDKAMER
Datum: 8 september 2011
Dossiernummer: GP 11.663
Beschikking
in de zaak van:

ASR Vastgoed Vermogensbeheer, Landelijk Vastgoed,

Postbus 2007, Utrecht,
-hierna te noemen: verpachtster-
-tegen-

[pachter],

wonende te [woonplaats], [adres],
-hierna te noemen: pachter-.

Het geding in eerste aanleg

De grondkamer Noord heeft bij beschikking van 6 juni 2011, waarvan afschrift aan partijen is verzonden op 9 juni 2011, met betrekking tot de op 29 september 2010 bij haar ter goedkeuring ingezonden pachtwijzigingsovereenkomst tussen partijen, inhoudende dat als gevolg van de omstandigheid dat op 12 maart 2010 de akte van toedeling van de landinrichting [naam] is gepasseerd en het pachtobject deel uitmaakt van deze landinrichting, de tussen hen bestaande pachtovereenkomst inzake los land wordt gewijzigd in die zin dat met ingang van 12 maart 2010 het gepachte bestaat uit: “Gemeente [gemeente in de provincie Drenthe], [kadastrale aanduiding] Oppervlakte 16.50.05”, zulks met vermelding met betrekking tot de pachtprijs van het volgende: “De pachtprijs per hectare blijft ongewijzigd”, als volgt beslist:
“De overeenkomst wordt gewijzigd in die zin dat deze wordt gezien als een nieuwe pachtovereenkomst, die is ingegaan op de datum waarop de akte van toedeling is ingeschreven in de openbare registers (12 maart 2010) en geldt voor de resterende duur van de pachtovereenkomst, waarvoor zij in de plaats komt.
De aldus gewijzigde overeenkomst wordt goedgekeurd met de aantekening dat deze verlengbaar is.”

Het geding in hoger beroep

Verpachtster is bij een op 29 juni 2011 ter griffie ingekomen beroepschrift in beroep gekomen van voormelde beschikking, met verzoek de onderhavige pachtprijs na de ruilverkaveling aan te passen naar € 372,54 per ha.
Pachter heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen.

De grieven

Verpachtster heeft aangevoerd dat zij bezwaar maakt tegen de beschikking van de grondkamer omdat voor de passering van de akte van toedeling de pachtprijs € 372,54 per ha was en de kwaliteit van de grond na de ruilverkaveling niet is afgenomen maar eerder is toegenomen, zodat zij verzoekt de pachtprijs na de ruilverkaveling aan te passen naar € 372,54 per ha.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

1. Uit de stukken, waaronder die in eerste aanleg, blijkt dat de onderhavige percelen zijn gelegen in het blok [naam] van de Herinrichting Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën, waarvan de akte van toedeling op 12 maart 2010 in de openbare registers is ingeschreven. Voorts is sprake van een gehandhaafde pachtverhouding tussen partijen, terwijl het pachtobject als gevolg van de herinrichting is gewijzigd.
2. Artikel 69 van Pro de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën luidt:
Partijen in een gehandhaafde pachtverhouding zenden, indien de pachtovereenkomst tengevolge van de herinrichting gewijzigd of door een nieuwe vervangen moet worden, binnen dertig dagen, nadat het plan van toedeling is komen vast te staan, een desbetreffende overeenkomst ter goedkeuring bij de grondkamer in.
De nieuwe overeenkomst eindigt op hetzelfde tijdstip als waarop de overeenkomst, waarvoor zij in de plaats treedt, zou zijn geëindigd. Indien laatstbedoelde overeenkomst voor de wettelijke duur gold, tekent de grondkamer op de nieuwe overeenkomst aan, dat deze verlengbaar zal zijn.
Indien aan het bepaalde in het eerste lid is voldaan, vinden op verzoek van de meest gerede partij de artikelen 67 en 68 overeenkomstige toepassing.
Artikel 70, lid 1 van genoemde wet luidt:
“Alle pachtovereenkomsten, welke ingevolge de bepalingen van deze afdeling tot stand komen,
treden van rechtswege in werking op het tijdstip, waarop de in artikel 95 bedoelde Pro akte in de
openbare registers wordt ingeschreven.”
Voormelde wet is ingevolge artikel VI van de Wet van 12 november 2009 tot aanpassing van LNV-wetgeving in verband met de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (Stb. 2009 nr. 550) met ingang van 1 juli 2010 ingetrokken.
3. De grondkamer heeft op grond van de artikelen 69 en 70 voornoemd de onderhavige
pachtwijzigingsoverenkomst gewijzigd.
4 In de onderhavige pachtwijzigingsovereenkomst is door partijen met betrekking tot de pachtprijs
vermeld:
“De pachtprijs per ha blijft ongewijzigd.”
Dit onderdeel van de pachtwijzigingsovereenkomst is door de grondkamer ongewijzigd goedgekeurd.
5. De door verpachtster aangevoerde grief heeft enkel betrekking op de door de grondkamer
ongewijzigd goedgekeurde pachtprijs in de onderhavige pachtwijzigingsovereenkomst.
6. Ingevolge artikel 36, lid 1, van de Uitvoeringswet grondkamers staat behoudens het in het derde
lid bepaalde, aan partijen, belanghebbenden, alsmede aan de verzoeker binnen een maand,
nadat de beschikking aan hen is verzonden, beroep open bij de Centrale Grondkamer. Lid 3 van
genoemd artikel bepaalt dat geen beroep door de pachter of de verpachter kan worden ingesteld
indien de pachtovereenkomst of een overeenkomst tot wijziging van een pachtovereenkomst dan
wel het ontwerp van een van deze overeenkomsten ongewijzigd wordt goedgekeurd.
7. De situatie van artikel 36, lid 1 van de Uitvoeringswet grondkamers is hier naar de letter niet van
toepassing, nu de grondkamer de overeenkomst niet ongewijzigd heeft goedgekeurd. De Centrale
Grondkamer ziet echter aanleiding de onderhavige situatie wat betreft het beroep van
verpachtster hiermee gelijk te stellen, nu de toegepaste wijziging niet ten nadele van verpachtster
strekt en enkel heeft gediend om de overeenkomst in overeenstemming met de eisen van de wet
te brengen.
8. Voor zoveel nodig overweegt de Centrale Grondkamer nog dat verpachtster in haar beroepschrift
heeft verzocht om de pachtprijs na de ruilverkaveling aan te passen naar € 372,54 per ha, zulks
onder verwijzing naar in fotokopie bijgevoegde brief van haar aan pachter van 10 november
2009 met een berekening harerzijds van de per 12 oktober 2009, derhalve kennelijk met
toepassing van het met ingang van 1 september 2009 gewijzigde Pachtprijzenbesluit 2007 c.a.
aangepaste pachtprijs. Dienaangaande overweegt de Centrale Grondkamer dat ingevolge artikel
7:333, lid 1 BW de pachtprijs van rechtswege wordt herzien overeenkomstig de wijziging van de
krachtens artikel 327, lid 1 gegeven regelen. Een beslissing van de grondkamer is daartoe niet
nodig. Lid 2 en lid 3 van genoemd artikel vermelden de mogelijkheden voor de pachter of de
verpachter om aan de grondkamer te verzoeken de tegenprestatie te herzien. Een daartoe
strekkend inleidend verzoek dient door verpachtster met inachtneming van het bepaalde in artikel
7:333, lid 2 en 3 BW bij de bevoegde grondkamer te worden ingediend. Zou het beroepschrift zo
moeten worden begrepen dat verpachtster met voorbijgaan van de grondkamer een verzoek tot
herziening op de voet van artikel 7:333, lid 2 of lid 3 BW heeft willen doen, dan is dat verzoek dus
eveneens niet-ontvankelijk.

Slotsom

Het beroep van verpachtster is niet-ontvankelijk.

Beslissing

De Centrale Grondkamer, beschikkende in hoger beroep:
Verklaart verpachtster niet-ontvankelijk in haar beroep.
Deze beschikking is gegeven op 8 september 2011 door mrs. W.L. Valk, M.G.W.M. Stienissen en
Th.C.M. Willemse en de deskundige leden mr. ing. J.A. Jansens van Gellicum en ir. H.B.M. Duenk, in tegenwoordigheid van mr. J.G. Bongers als griffier.