Deskundigen hebben op bladzijde 2, onder 7 van hun rapport aangegeven waarom zij bij hun bepaling van de op grond van de pachtnormen 1992/1994 geldende pachtwaarde van de onderhavige percelen de onherroepelijke beschikking van de grondkamer Noordwest van 19 januari 1999 niet als uitgangspunt hebben genomen. Dienaangaande overweegt de Centrale Grondkamer dat, indien hoger beroep wordt ingesteld van een beschikking van de grondkamer betreffende een herziening van de pachtprijs van land en in het grondkamerdossier zich een eerdere onherroepelijke op een taxatierapport van deskundigen van de grondkamer gebaseerde herzieningsbeschikking van die grondkamer bevindt, de Centrale Grondkamer volgens haar vaste jurisprudentie hier in beroep van uitgaat. Deskundigen hebben deze jurisprudentie in hun rapport in die zin genuanceerd dat zij in het onderhavige geval niet van de desbetreffende beschikking van de grondkamer zijn uitgegaan omdat deze naar hun mening op onjuiste uitgangspunten was gebaseerd. Mede gelet op het dienaangaande overwogene in haar voormelde beschikking van 15 mei 2012 kan de Centrale Grondkamer in de gegeven omstandigheden deskundigen volgen in hun voormelde zienswijze.
De Centrale Grondkamer ziet in de gegeven omstandigheden ter voorkoming van misverstanden aanleiding om de door haar gecorrigeerde berekening van de hoogst toelaatbare pachtprijs van het land in geschil naar de opeenvolgende pachtnormen aan deze beschikking te hechten. Deze berekening moet worden geacht hier te zijn ingelast.
Met betrekking tot de door verpachtster in de stukken en ter zitting bepleite wijze van bepaling van de pachtprijs van het land in geschil en meer in het bijzonder van de vrije verkeerswaarde daarvan overweegt de Centrale Grondkamer het navolgende.
In voormelde beschikking van 15 mei 2012 heeft de Centrale Grondkamer overwogen dat bij de herziening van de pachtprijs van de onderhavige percelen land moet worden uitgegaan van de omschrijving daarvan in de door partijen gesloten pachtovereenkomst. Daarin is onderscheid gemaakt tussen “12.30 ha landbouwgrond + bijzondere teelten” en “17.70 ha bollengrond”.
Aangezien op deze beide pachtobjecten ingevolge de te dezen toepasselijke opeenvolgende Pachtnormenbesluiten, c.q. Pachtprijzenbesluiten, verschillende pachtprijsregimes van toepassing zijn, moet dientengevolge de hoogst toelaatbare pachtprijs daarvan afzonderlijk worden bepaald. De in dit verband noodzakelijke bepaling van de vrije verkeerswaarde van beide pachtobjecten betreft ingevolge artikel 1, achtste gedachtestreepje, van het Pachtprijzenbesluit 2007, welk artikel overigens overeenstemt met artikel 1, lid 1 en 2 , van het Pachtnormenbesluit 1995, de waarde van het land in onverpachte staat die overeenstemt met de prijs bij voortgezet agrarisch gebruik, en die tot stand komt als redelijk handelende partijen op de markt tot koop en verkoop besluiten over te gaan, waarbij de investeringen van de pachter buiten beschouwing worden gelaten. De Centrale Grondkamer heeft in dit verband in haar voornoemde beschikking van 15 mei 2012 overwogen dat hieruit voortvloeit dat de omschrijving van het desbetreffende land in de tussen partijen bestaande pachtovereenkomst voor de bepaling van voormelde vrije verkeerswaarde in beginsel niet relevant is. Een en ander brengt mede dat het denkbaar is dat in het kader van de herziening van de pachtprijs van beide voormelde pachtobjecten de grondkamer, en in beroep de Centrale Grondkamer, komen tot dezelfde vrije verkeerswaarde voor die beide pachtobjecten.
Dientengevolge kan de Centrale Grondkamer verpachtster niet volgen in haar zienswijze dienaangaande.
Uit het door partijen aangevoerde en de door deskundigen in hun rapport vermelde grondtransacties in de onderhavige regio leidt de Centrale Grondkamer af dat de grondprijs aldaar in de jaren 2007 tot en met 2009 relatief sterke fluctuaties heeft vertoond en dat deze destijds enigszins onder druk stond. Als gevolg van deze omstandigheden is het met enige nauwkeurigheid bepalen van de vrije verkeerswaarde van het land in geschil per 1 november 2009 niet eenvoudig. Dit te meer omdat de Centrale Grondkamer is gebleken dat onder de beschikbare grondtransacties maar vrij weinig transacties zijn die gronden en omstandigheden betreffen die in hoge mate vergelijkbaar zijn met die van de onderhavige percelen. Mede gelet op de als zodanig niet weersproken omschrijving van het land in geschil in het deskundigenrapport, de daarin vermelde grondtransacties in de omgeving van het pachtobject en de door deskundigen na het uitbrengen van hun rapport aan haar nog aangeleverde aanvullende grondprijstransacties, zulks bezien in samenhang met het dienaangaande door partijen in de stukken en ter zitting verklaarde, brengt de Centrale Grondkamer tot oordeel dat de vrije verkeerswaarde van perceel 1 en perceel 2 per 1 november 2009 – in afwijking van het door haar gecorrigeerde deskundigenrapport – moet worden bepaald op € 80.000,00 per ha. De Centrale Grondkamer overweegt in dit verband dat deze wijziging niet leidt tot een van de in het door haar gecorrigeerde deskundigenrapport afwijkende hoogst toelaatbare pachtprijs van perceel 1 met ingang van 1 november 2009. De hoogst toelaatbare pachtprijs van perceel 2 met ingang van 1 november 2009 moet evenwel, in afwijking van het door haar gecorrigeerde deskundigenrapport worden bepaald op 17.70 ha à € 1600,00/ha = € 28.320,00 per jaar. Dientengevolge moet de pachtwaarde van de onderhavige hoeve met ingang van 1 november 2009 worden bepaald op € 39.095,81 in totaal per jaar, zulks met vermelding van de doorberekeningmogelijkheden voor verpachtster aan pachter van een aantal aan haar opgelegde publiekrechtelijke lasten.
Behoudens de hiervoor vermelde correcties en wijzigingen heeft de Centrale Grondkamer overigens geen onjuistheden in het deskundigenrapport aangetroffen en zal dit met inachtneming van een en ander volgen.