Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CG:2019:2

Centrale Grondkamer

Datum uitspraak
14 februari 2019
Publicatiedatum
6 maart 2024
Zaaknummer
GP 11.787
Instantie
Centrale Grondkamer
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:333 BWArt. 37 lid 6 Uitvoeringswet grondkamersArt. 3:186 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak herziening pachtprijs percelen grasland na overlijden verpachter

De zaak betreft een verzoek tot herziening van de pachtprijs van graslandpercelen die oorspronkelijk door de broer van de verpachtster aan de pachter waren verpacht. Kort na het sluiten van de pachtovereenkomst is de broer overleden en zijn de percelen verdeeld tussen de twee zussen, waaronder de verpachtster.

De grondkamer Noord had eerder de pachtprijs vastgesteld op €10.963 per jaar voor het aan de verpachtster toegedeelde gedeelte. Verpachtster kwam in hoger beroep tegen deze beschikking en verzocht om vaststelling van de hoogst toelaatbare pachtprijs. De pachter kwam ook in incidenteel beroep en verzocht om vernietiging van de eerdere beschikking of een lagere pachtprijs, rekening houdend met overeengekomen tegenprestaties.

De Centrale Grondkamer acht het noodzakelijk om het beroep mondeling te behandelen om nadere informatie te verkrijgen over de betekenis van bepaalde bepalingen in de pachtovereenkomst, de ingangsdatum van de herziene pachtprijs, de verdeling en levering van de percelen aan de zussen, en de afspraken tussen de zussen over de pachtprijs. Tevens wordt de zus van de verpachtster als belanghebbende uitgenodigd voor de zitting.

De Centrale Grondkamer houdt de beslissing aan en bepaalt dat de mondelinge behandeling op een nader te bepalen datum zal plaatsvinden. Verpachtster moet binnen een week na de beschikking de gegevens van de belanghebbende zus aanleveren.

Uitkomst: De Centrale Grondkamer stelt een mondelinge behandeling in en houdt de beslissing aan.

Uitspraak

CENTRALE GRONDKAMER
Datum: 14 februari 2019
Dossiernummer: GP 11.787
Beschikking
in de zaak van:
[verpachtster],
wonende [adres], [woonplaats],
appellante in het principaal beroep,
verweerster in het incidenteel beroep,
hierna te noemen: verpachtster
-tegen-
Maatschap [maat A] en [maat B],
gevestigd te [adres], [vestigingsplaats],
verweerder in het principaal beroep,
appellant in het incidenteel beroep,
hierna te noemen: pachter,
gemachtigde: A.G.Th. Geene, van Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders.

1.Het geding in eerste aanleg

1.1
Op 2 mei 2017 is bij de grondkamer Noord een verzoek van verpachtster om herziening van de pachtprijs (op grond van artikel 7:333 van Pro het Burgerlijk Wetboek) geregistreerd. Het verzoek heeft betrekking op het aan verpachtster toegedeelde gedeelte van het land dat bij pachtovereenkomst van
25 maart 2014 tussen wijlen de broer van verpachtster als verpachter en pachter als pachter is verpacht, totaal groot 35.36.45 ha. Het aan verpachtster toegedeelde gedeelte van het land betreftdiverse percelen grasland, kadastraal bekend gemeente [gemeente in de provincie Friesland], [kadastrale aanduidingen], samen groot 17.26.45 ha.
1.2
De grondkamer Noord heeft bij beschikking van 5 maart 2018 bepaald dat de tegenprestatie wordt herzien en heeft daarbij de pachtprijs voor het aan verpachtster toegedeelde gedeelte bepaald op € 10.963,-- per jaar, ingaande 1 mei 2017.
1.3
Een afschrift van de beschikking van de grondkamer Noord, waarvan afschrift aan partijen is verzonden op 8 maart 2018, is in fotokopie aan deze beschikking gehecht. Daarnaar wordt verwezen voor de procesgang in eerste aanleg en de bij de beschikking gegeven motivering.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Verpachtster is bij een op 29 maart 2018 ter griffie ingekomen beroepschrift in beroep gekomen (principaal beroep genoemd) tegen de beschikking van de grondkamer Noord van 5 maart 2018. Verpachtster heeft de Centrale Grondkamer verzocht de hoogst toelaatbare pachtprijs te bepalen.
2.2
Pachter heeft hiertegen verweer gevoerd bij een op 31 mei 2018 ter griffie ingekomen verweerschrift. Pachter wenst, zo begrijpt de Centrale Grondkamer, dat de Centrale Grondkamer het beroep van verpachtster zal afwijzen. Pachter is op zijn beurt ook in beroep gekomen (incidenteel beroep genoemd) van de beschikking van de grondkamer Noord van 5 maart 2018. Pachter wenst primair dat de Centrale Grondkamer die beschikking van de grondkamer zal vernietigen en verpachtster in haar verzoek niet ontvankelijk zal verklaren of dit verzoek zal afwijzen. Subsidiair wenst pachter dat de Centrale Grondkamer in goede justitie een lagere pachtprijs zal vaststellen, daarbij rekening houdend met de verdere overeengekomen tegenprestaties.
2.3
Verpachtster heeft bij een op 3 juli 2018 ter griffie ingekomen verweerschrift in het incidenteel beroep verweer gevoerd.

3.Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1
Uit de stukken, waaronder de stukken van de procedure bij de grondkamer, blijkt het volgende.
De broer van verpachtster, [broer van verpachtster], en pachter zijn op 25 maart 2014 een pachtovereenkomst aangegaan (hierna: de pachtovereenkomst). Die pachtovereenkomst is ingekomen bij de grondkamer Noord op 17 juni 2014 en door die grondkamer goedgekeurd op
7 juli 2017. Bij die pachtovereenkomst heeft de broer van verpachtster aan pachter verpacht percelen grasland, kadastraal bekend gemeente [gemeente in de provincie Friesland], sectie [kadastrale aanduiding], nrs. [kadastrale aanduidingen], samen groot 35.36.45 ha.
In de pachtovereenkomst staat onder meer:
“1. Deze pachtovereenkomst is aangegaan voor de duur van zes jaren.
De pacht is ingegaan op 1 mei 2014 en eindigt op 30 april 2020.
(…)
4. Telkens vóór het verstrijken van een pachtperiode van drie jaar kan de pachter of de verpachter
aan de grondkamer verzoeken de tegenprestatie te herzien. De wijziging van de tegenprestatie
door de grondkamer gaat in met ingang van de nieuwe driejarige periode.”
[broer van verpachtster] is kort na het sluiten van de pachtovereenkomst overleden. De verpachte percelen zijn, in het kader van de verdeling van diens nalatenschap, overgegaan op en verdeeld door diens twee zussen. De percelen kadastraal bekend gemeente [gemeente in de provincie Friesland], sectie [kadastrale aanduiding], nummers [kadastrale aanduidingen] zijn toegedeeld aan de zus van verpachtster. De andere percelen zijn toegedeeld aan verpachtster.
3.2
Bij het op 2 mei 2017 bij de grondkamer Noord ingekomen verzoek, met als bijlage de brief van verpachtster van 29 april 2017, heeft verpachtster, zo begrijpt de Centrale Grondkamer, op grond van artikel 7:333 van Pro het Burgerlijk Wetboek de grondkamer om herziening van de tegenprestatie (pachtprijs) verzocht en de grondkamer verzocht de pachtprijs vast te stellen, primair, op de hoogst toelaatbare pachtprijs en, subsidiair, op de pachtprijs met een relatief gelijke verhoging als de pachtprijsverhoging die bij haar zus plaatsvindt, wat op ongeveer € 635,-- uitkomt. Voor zover verpachtster in haar beroepschrift bezwaar maakt tegen het uitgangspunt van de grondkamer dat het verzoek van verpachtster strekt tot herziening van de pachtprijs tot een bedrag van € 635,-- per hectare met ingang van 1 mei 2017, is dat bezwaar dus gegrond.
3.3
Voordat de Centrale Grondkamer verder zal beslissen, oordeelt zij het nodig dat het beroepschrift mondeling ter zitting wordt behandeld, omdat zij meer informatie van partijen nodig heeft en wel over in ieder geval:
a. de betekenis van artikel 4 van Pro de pachtovereenkomst (voor deze procedure bij de Centrale
Grondkamer);
b. de ingangsdatum van de verzochte herziene pachtprijs;
c. de toedeling en de levering aan de zussen van de bij de pachtovereenkomst verpachte percelen (in verband met artikel 3:186 van Pro het Burgerlijk Wetboek);
d. de tussen de zussen gemaakte afspraken over de pachtovereenkomst (wat betreft de pachtprijs) en de gebondenheid van pachter aan die afspraken;
e. de betekenis van het in de artikelen 13 en 14 van de pachtovereenkomst bepaalde.
3.4
De Centrale Grondkamer wil de zus van verpachtster, aan wie volgens de stukken (ook) percelen waarop de pachtovereenkomst betrekking heeft, toegedeeld zijn, als belanghebbende bij de zaak uitnodigen de mondelinge behandeling bij te wonen. Met het oog daarop moet verpachtster binnen een week na de datum van deze beschikking de naam, voornamen en het adres van die zus aan de Centrale Grondkamer sturen.
3.5
Verder zal de Centrale Grondkamer iedere beslissing aanhouden.

4.Beslissing

De Centrale Grondkamer, beschikkende in hoger beroep:
bepaalt dat het beroepschrift mondeling ter zitting van de Centrale Grondkamer zal worden behandeld op een nader door deze vast te stellen datum en tijdstip, in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem, en roept partijen en hun eventuele gemachtigden op daarbij aanwezig te zijn;
bepaalt dat verpachtster binnen een week na de datum van deze beschikking de hiervoor onder 3.4 genoemde gegevens aan de Centrale Grondkamer moet sturen;
houdt verder iedere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven op 14 februari 2019 door mrs Th.C.M. Willemse, J.H. Lieber en
S.B. Boorsma en de deskundige leden mr. ing. H.J. Vinke en ir. H.B.M. Duenk, in tegenwoordigheid van mr. M. Vriend als .