Uitspraak
het College van Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant
Provincie Noord-Brabant,
gevestigd te [adres], [vestigingsplaats],
[naam pachter],handelend onder de naam [naam],wonende te [adres], [woonplaats],
Het geding in eerste aanleg
- [gemeente in de provincie Noord-Brabant], [kadastrale aanduiding], groot 2.28.67 ha,
- [gemeente in de provincie Noord-Brabant], [kadastrale aanduiding], groot 1.50.72 ha,
- [gemeente in de provincie Noord-Brabant], [kadastrale aanduiding], groot 2.12.15 ha,
- [gemeente in de provincie Noord-Brabant], [kadastrale aanduiding], groot 0.01.10 ha,
- [gemeente in de provincie Noord-Brabant], [kadastrale aanduiding], groot 3.48.00 ha,
- [gemeente in de provincie Noord-Brabant], [kadastrale aanduiding], groot 0.97.75 ha,
- [gemeente in de provincie Noord-Brabant], [kadastrale aanduiding], groot 1.30.85 ha.
De pachtovereenkomst is een geliberaliseerde pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 7:397 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
Het geding in hoger beroep
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
De kern van de zaak en de beslissing
In deze zaak gaat het, kort gezegd, om het volgende. Pachtovereenkomsten moeten op grond van de wet worden goedgekeurd door de grondkamer. Een - hier niet aan de orde zijnde - uitzondering daarop geldt voor enkele in de wet specifiek genoemde pachtovereenkomsten. De grondkamer keurt de pachtovereenkomst goed, tenzij sprake is van in de wet genoemde gevallen waarin niet (zonder wijziging) mag worden goedgekeurd. Als de grondkamer geen goedkeuring geeft, dan wijzigt zij de pachtovereenkomst (door middel van aanpassing of schrapping van bedingen uit de pachtovereenkomst) of vernietigt zij de pachtovereenkomst. De door de grondkamer gewijzigde pachtovereenkomst geldt als een goedgekeurde overeenkomst.
De Centrale Grondkamer moet de vraag beantwoorden of het glyfosaatverbod in artikel 8 sub Pro 3 van de pachtovereenkomst moet worden goedgekeurd, eventueel na wijziging (door middel van aanpassing of schrapping). Daarbij geldt in deze zaak als uitgangspunt dat de grondkamer (en in beroep: de Centrale Grondkamer) de pachtovereenkomst goedkeurt, tenzij sprake is van buitensporige voor de pachter uit de pachtovereenkomst voortvloeiende verplichtingen als bedoeld in artikel 7:319 lid 1 aanhef Pro en onder b BW. Een verplichting is buitensporig in de zin van dat artikel als zij, mede gelet op de hoogte van de overeengekomen pachtprijs, kennelijk niet in een redelijke verhouding staat tot het genot dat de pachter uit hoofde van de pachtovereenkomst wordt geboden.
Of sprake is van een buitensporige verplichting voor de pachter moet de grondkamer (en in beroep: de Centrale Grondkamer) terughoudend toetsen. Dat wil zeggen dat niet snel mag worden aangenomen dat een verplichting buitensporig is.
Bij die toetsing zijn de hierna te noemen omstandigheden van belang.
Verpachtster heeft verklaard dat het de bedoeling en ook de praktijk is dat de grond voor één jaar aan dezelfde pachter wordt verpacht en dat er ook geen perspectief op langer gebruik is. Volgens verpachtster sluit zij momenteel, op enige uitzonderingen na, alleen pachtovereenkomsten voor de duur van één jaar. Die pachtovereenkomsten, waaronder die met pachter, betreffen percelen grond die verpachtster naar haar zeggen beschikbaar wil hebben voor de realisatie van doelen op het gebied van natuur en infrastructurele werken en voor het gebruik als ruilgrond. Verpachtster heeft als beleid dat zij haar gronden duurzaam en maatschappelijk verantwoord wil (laten) gebruiken om de bodemkwaliteit, de biodiversiteit en de waterkwaliteit van die gronden te verbeteren en om zo duurzame landbouw te stimuleren. Een van haar maatregelen is om het gebruik van glyfosaat zo veel mogelijk terug te dringen.
Slotsom
Beslissing
L.R. van Harinxma thoe Slooten en de deskundige leden mr. ing. E. Oostra en B.Th.W. Lamers,
in tegenwoordigheid van mr. M. Vriend als griffier.