De zaak betreft een geschil over de herziening van de pachtprijs van een hoeve, waarbij verpachtster en pachters bezwaar maakten tegen de eerder door de grondkamer Noord vastgestelde pachtprijs van €77.645,57 per jaar. De pachtovereenkomst betreft land, bedrijfsgebouwen en een woning in Friesland, met diverse gebruiksbeperkingen en een wijziging in 2017 na grondruil.
In hoger beroep bij de Centrale Grondkamer voerden beide partijen aan dat de taxatie van de pachtprijs onjuist was. Deskundigen voerden een onderzoek uit en brachten een rapport uit met waarderingen van de bedrijfsgebouwen en gronden, inclusief kortingen wegens bemestingsbeperkingen. De Centrale Grondkamer oordeelde dat de korting van 26% op perceel 1 niet terecht was omdat voor dat perceel geen gebruiksbeperkingen gelden.
De Centrale Grondkamer verwierp verder het verzoek van pachters om een beheersvergoeding mee te nemen in de pachtprijs en wees het verzoek om een betalingsregeling af wegens gebrek aan bevoegdheid. Uiteindelijk vernietigde de Centrale Grondkamer de beschikking van de grondkamer Noord en stelde de pachtprijs vast op €81.402 per jaar, ingaande 1 maart 2020.