ECLI:NL:CRVB:1995:ZB2579
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- M.M. van der Kade
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheidsuitkering bij einde wachttijd en toepasselijkheid aanzegjurisprudentie
In deze zaak staat centraal de vraag of eiser verplicht is gedaagde in aanmerking te brengen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na het bereiken van de maximum uitkeringstermijn van de Ziektewet, ondanks dat gedaagde medisch gezien geschikt werd geacht voor passende functies.
Eiser had de uitkering geweigerd omdat gedaagde geschikt werd geacht voor zijn eigen werkzaamheden. Na vernietiging van die beslissing door de rechtbank, waarbij werd geoordeeld dat gedaagde niet geschikt was voor zijn oude werk, weigerde eiser opnieuw de uitkering toe te kennen op basis van geschiktheid voor andere functies. De rechtbank oordeelde dat eiser op zorgvuldigheidsgronden toch een uitkering had moeten toekennen, mede vanwege het ontbreken van tijdige informatie over passende functies en het beleid rond einde wachttijd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de aanzegjurisprudentie, die geldt bij intrekking of herziening van lopende uitkeringen, niet van toepassing is op beslissingen bij einde wachttijd. Ook acht de Raad het beleid van eiser, waarbij bij sterke aanwijzingen van arbeidsongeschiktheid geen voorlopige uitkering wordt toegekend, rechtmatig. Verder is geen sprake van gewekte verwachtingen bij gedaagde. De eerdere uitspraak wordt vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de weigering van de arbeidsongeschiktheidsuitkering blijft in stand.