ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6321
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- M.M. van der Kade
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep inzake proceskostenveroordeling bij AAW/WAO-uitkering
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de bedrijfsvereniging waarin haar uitkeringen op grond van de AAW en WAO werden geweigerd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Zij stelde zich op het standpunt dat zij geschikt was voor haar eigen werk en dat het bestuursorgaan ten onrechte het medische oordeel als dubieus beschouwde.
Tijdens de procedure werd het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken nadat het bestuursorgaan had toegezegd het oordeel van de behandelend chirurg over te nemen en aan de werkgever te communiceren dat appellante geschikt was voor haar werk. Desondanks werd appellante niet in de proceskosten van de eerdere procedures tegemoetgekomen.
De Raad oordeelt dat het hoger beroep tegen het besluit niet-ontvankelijk is omdat het beroep was ingetrokken. Tevens kan geen hoger beroep worden ingesteld tegen de beslissing van de president van de rechtbank over de proceskosten bij de voorlopige voorziening. De Raad bevestigt de afwijzing van het verzoek tot proceskostenveroordeling omdat het bestuursorgaan niet geheel of gedeeltelijk aan appellante tegemoet is gekomen in de zin van de Awb.
Het bestreden besluit bleef ongewijzigd en bepaalde de rechtsbetrekking tussen partijen. Het hoger beroep wordt afgewezen voor zover het betrekking heeft op de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 13 augustus 1996.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de afwijzing van het verzoek tot proceskostenveroordeling wordt bevestigd.