ECLI:NL:CRVB:1997:AL0760
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- H. Bolt
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Matiging terugvordering AAW-uitkering wegens sterk verminderde toerekening verzuim
Appellant ontving vanaf mei 1984 een AAW-uitkering, maar genoot vanaf oktober 1989 inkomsten uit arbeid als vuilnisbelader. Gedaagde vorderde terugbetaling van onverschuldigd betaalde uitkeringen over verschillende perioden. De rechtbank verklaarde eerdere terugvorderingen deels ongegrond vanwege onvoldoende betrokkenheid van de geestelijke gezondheidstoestand van appellant.
In hoger beroep betoogde appellant dat het verzuim van mededelingsplicht hem niet volledig kon worden toegerekend vanwege zijn geestelijke gesteldheid. De verzekeringsgeneeskundige concludeerde een sterk verminderde toerekening. De Raad oordeelde dat de primaire grondslag voor terugvordering (toedoen) niet houdbaar was, maar dat terugvordering op subsidiaire grond (redelijkerwijs duidelijkheid over onverschuldigde betaling) wel standhield.
De Raad matigde het terugvorderingsbedrag vanwege de verminderd toerekenbaarheid en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat appellant bekend was met zijn mededelingsplicht. Het hoger beroep werd afgewezen voor zover het de besluiten betrof over de verrekening en terugbetaling van bedragen. De uitspraak werd in het openbaar gegeven op 4 april 1997.
Uitkomst: De terugvordering van de onverschuldigde AAW-uitkering wordt bevestigd met matiging vanwege sterk verminderde toerekenbaarheid.