ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6764
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op bijstand voor jongmeerderjarige en haar minderjarige kind volgens Algemene Bijstandswet
De zaak betreft een jongmeerderjarige vrouw die na het verlaten door haar echtgenoot bij haar ouders woonde en een aanvraag deed voor bijstand op grond van de Algemene Bijstandswet (ABW). De gemeente wees de aanvraag af omdat de ouders onderhoudsplichtig zijn en geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond.
De rechtbank stelde dat de vrouw als jongmeerderjarige geen zelfstandig recht op bijstand heeft, maar dat haar dochter, geboren tijdens het geding, wel recht heeft op bijstand omdat noch de ouders noch de echtgenoot voor haar konden zorgen. De gemeente ging in hoger beroep tegen het oordeel over de bijstand voor het kind en de hoogte daarvan.
De Centrale Raad bevestigde dat de vrouw zelf geen recht op bijstand heeft, maar gaf wel toepassing aan artikel 6 ABW Pro voor het kind, omdat de moeder niet over middelen beschikte en het niet redelijk was dat zij een beroep deed op haar ouders die niet onderhoudsplichtig zijn voor het kind.
De Raad corrigeerde tevens de door de rechtbank gehanteerde norm voor de hoogte van de bijstand voor het kind, oordelend dat een lager bedrag passend is. De uitspraak van de rechtbank werd voor zover aangevochten bevestigd met een nieuwe beslissing door de gemeente.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de jongmeerderjarige geen zelfstandig recht op bijstand heeft, maar dat haar minderjarige kind recht heeft op bijstand met een aangepaste norm.