ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6993

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 mei 1997
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
96/11469 ABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 6:24 Awb
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens overschrijding beroepstermijn in bestuursrechtelijke zaak

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem. De Raad stelt vast dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend, aangezien de beroepstermijn van zes weken liep van 30 oktober 1996 tot en met 10 december 1996. Het beroepschrift werd per telefax één dag na afloop van de termijn en per koerier twee dagen na afloop ontvangen.

De Raad oordeelt dat verzending per koerier niet gelijkgesteld kan worden aan verzending per post via de officiële postdienst, zoals vereist in artikel 6:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De overschrijding van de termijn kan niet worden gerechtvaardigd door omstandigheden, aangezien de gemachtigde van appellant toegaf dat de termijn aan haar aandacht was ontsnapt.

De Raad benadrukt dat de gevolgen van het handelen of nalaten van een gemachtigde voor rekening van de cliënt blijven. Gezien deze omstandigheden verklaart de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk en besluit zonder verder onderzoek.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
96/11469 ABW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:54 van Pro de Algemene wet
bestuursrecht in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, gedaagde.
I. INLEIDING
Mr M. Meerman-Padt, advocaat te Haarlem, heeft als gemachtigde van appellant hoger beroep ingesteld tegen
een door de Arrondissementsrechtbank te Haarlem op 21 oktober 1996 tussen partijen gewezen uitspraak.
Deze uitspraak is op 29 oktober 1996 in afschrift aan partijen toegezonden.
Het beroepschrift is op 11 december 1996 per telefax en op 12 december 1996 per Falkland koerier ter griffie
ontvangen.
II. MOTIVERING
Volgens artikel 6:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11
van die wet geldt het volgende.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in op de dag na die
waarop de aangevallen uitspraak door middel van de toezending van een afschrift aan partijen is
bekendgemaakt.
Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per
post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits
het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
Op grond van de in rubriek I. vermelde gegevens moet worden vastgesteld dat de termijn voor het indienen van
een beroepschrift in casu aanving op 30 oktober 1996 en eindigde op 10 december 1996. Het per telefax verzonden
beroepschrift is één dag na afloop van die termijn ingediend en het per Falkland koerier verzonden
beroepschrift twee dagen.
Het bepaalde in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb kan appellant in deze niet baten, omdat blijkens de
geschiedenis van totstandkoming van die bepaling onder "ter post bezorgen" moet worden verstaan verzending per
post via de officiële postdienst van het land van verzending. Als zodanig kan niet worden beschouwd
verzending van een beroepschrift per Falkland koerier.
Het beroepschrift is dan ook niet tijdig ingediend.
Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring
op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Bij schrijven van 7 maart 1997 is aan de gemachtigde van appellant gevraagd naar de reden van de
termijnoverschrijding.
De gemachtigde van appellant heeft daarop bij brief van19 maart 1997 geantwoord dat de termijn voor het indienen
van een beroepschrift aan haar aandacht is ontsnapt en tengevolge daarvan de beroepstermijn inderdaad met één
dag is overschreden.
Hetgeen de gemachtigde van appellant ter zake heeft aangevoerd, bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan
worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
De Raad overweegt daartoe dat de gevolgen van (processueel) handelen of nalaten van een gemachtigde
voor rekening dienen te blijven van degene die de behartiging van zijn belangen aan die gemachtigde heeft
toevertrouwd.
Het hoger beroep is derhalve kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek wordt beslist zoals hierna
in rubriek III is aangegeven.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr G.A.J. van den Hurk in tegenwoordigheid van P.N. Rijnsewijn als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 6 mei 1997.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.N. Rijnsewijn.
Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van dit
afschrift schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT.
De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te
worden gehoord.