ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7131

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 augustus 1997
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
95/9345 APPA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.G. Treffers
  • R.C. Schoemaker
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 VerordeningArt. 8:73 AwbArt. 8:75 AwbArt. 6:119 BWArt. 6:120 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit over uitkering wethouder wegens onjuiste inkomensvaststelling en toekenning renteschade

Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van de gemeente Beuningen waarin zijn uitkering als wethouder over de jaren 1991 tot en met 1993 werd vastgesteld. Verweerder had bij de berekening van de verrekenbare inkomsten het bruto bedrijfsresultaat van een BV, waarvan eiser directeur en enig aandeelhouder was, volledig toegerekend, inclusief pensioenvoorziening en stamrecht.

De Raad oordeelde dat het besluit onrechtmatig was omdat verweerder had moeten uitgaan van de winst van de BV minus de vennootschapsbelasting. De jurisprudentie laat zien dat het gebruik van een BV niet automatisch leidt tot het doorzien van de constructie, zeker niet als het salaris in redelijke verhouding staat tot de omzet.

Verder werd het verzoek van eiser tot vergoeding van renteschade op grond van artikel 8:73 Awb Pro toegewezen, omdat verweerder door het onrechtmatige besluit schade had veroorzaakt. De Raad veroordeelde de gemeente tot het nemen van een nieuw besluit, tot vergoeding van renteschade en tot betaling van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het besluit van de gemeente Beuningen wordt vernietigd en eiser krijgt vergoeding van renteschade en proceskosten toegekend.

Uitspraak

95/9345 APPA
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de
gemeente Beuningen, verweerder.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 23 november 1995 heeft verweerder ten
aanzien van eiser een besluit genomen, waarvan een
afschrift aan deze uitspraak is gehecht.
Tegen dit besluit heeft mr M.A.J.J. Niesten, werkzaam bij
de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, als gemachtigde
van eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het
beroepschrift (met bijlagen) is aangegeven waarom eiser
zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Namens verweerder is een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd zijn vanwege verweerder aan de Raad nog enige
stukken toegezonden.
Het geding is, gevoegd met een drietal andere gedingen
tussen partijen, behandeld ter zitting van 5 juni 1997.
Aldaar is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door
mr M.A.J.J. Niesten voornoemd, als zijn raadsman.
Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen
door mr P.J. Schaap, verbonden aan het Centraal
Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie te
Zwolle.
II. MOTIVERING
De Raad wijst voor de relevante feiten en omstandigheden
allereerst naar zijn uitspraak, geregistreerd onder
nummer 95/7264 + 97/1571 APPA. Daaraan voegt hij ten
behoeve van zijn oordeelsvorming in dit geding het
volgende toe.
Bij besluit d.d. 22 juni 1995 is verweerder overgegaan
tot vaststelling van de aan eiser op grond van de
Uitkerings- en pensioenverordening wethouders der
gemeente Beuningen (hierna: de Verordening) toegekende
uitkering over de jaren 1991 tot en met 1993, met als
resultante een tegoed van ƒ 91.426,39. Daarbij zijn met
toepassing van artikel 5 van Pro de Verordening tevens
vastgesteld de met eisers uitkering te verrekenen
inkomsten, die hij in genoemde jaren uit anderen hoofde
heeft genoten. In dit verband is verweerder, op grond van
een door VB accountants verricht financieel onderzoek,
uitgegaan van het inkomen dat eiser genoot uit zijn
dienstbetrekking als directeur van de door hem op
1 januari 1990 opgerichte en formeel sedert 27 juli 1990
bestaande besloten vennootschap (hierna: BV) onder de
naam [naam adviesburo] als rechtsopvolger van
de onderneming [naam onderneming]. Voorts heeft verweerder zowel het
bruto bedrijfsresultaat (vóór afdracht
vennootschapsbelasting) van de BV, waarvan eiser enig
aandeelhouder is, volledig aan eiser toegerekend alsook
de in genoemde jaren op de balans van de BV vermeld
staande posten terzake pensioenvoorziening en stamrecht
ten volle gerekend tot de verrekenbare inkomsten van
eiser.
De tegen het besluit d.d. 22 juni 1995 ingebrachte
bezwaren heeft verweerder bij het bestreden besluit
ongegrond verklaard.
In beroep heeft eiser tegen het bestreden besluit een
aantal grieven aangevoerd.
In de eerste plaats kan eiser zich niet verenigen met het
door verweerder ook bij het besluit d.d. 22 juni 1995
ingevolge artikel 5, vierde lid, van de Verordening tot
uitgangspunt genomen nader vastgestelde bedrag aan
inkomsten, die eiser tijdens zijn wethouderschap
genereerde uit een door hem gevoerde onderneming.
De Raad stelt vast dat verweerder terzake deze inkomsten
reeds heeft beslist bij zijn besluit d.d. 1 maart 1994.
In zijn uitspraak 95/7264 + 97/1571 APPA heeft de Raad
geoordeeld dat verweerder het tegen dat besluit namens
eiser ingediende bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk
heeft verklaard. Nu voorts het besluit d.d. 22 juni 1995
in dit onderdeel niet is aan te merken als een op
rechtsgevolg gericht besluit, kan dit punt van geschil in
het onderhavige geding niet aan de orde komen.
Eiser heeft zich daarnaast gekeerd tegen de wijze waarop
verweerder toepassing heeft gegeven aan artikel 5, tweede
lid, van de Verordening door het bruto bedrijfsresultaat
van de BV en de ten laste van die BV gebrachte posten
pensioenvoorziening en stamrecht aan te merken als met de
uitkering verrekenbare inkomsten.
De Raad overweegt dienaangaande het volgende.
Op grond van het bestreden besluit en het verhandelde ter
zitting is de Raad gebleken dat verweerder zijn standpunt
dat bij de toepassing van anti-cumulatievoorschriften in
een geval als het onderhavige, waarin sprake is van het
gebruik van een rechtspersoon, mag worden uitgegaan van
de bruto winst uit onderneming, heeft ontleend aan de
jurisprudentie van de Raad, gepubliceerd in, onder meer,
TAR 1994, nr 194. De Raad wijst er met nadruk op dat deze
jurisprudentie is toegespitst op gevallen, waarin voor
het verrichten van (neven)werkzaamheden een zodanig
gebruik is gemaakt van rechtspersonen dat met het oog op
de toepassing van anti-cumulatie- dan wel, als in casu,
kortingsvoorschriften "door de constructie heen wordt
gezien". Naar in deze jurisprudentie echter primair is
neergelegd vermag het gebruik van een rechtspersoon
teneinde hiermee inkomsten uit arbeid te verwerven niet
reeds op zichzelf beschouwd de conclusie te
rechtvaardigen dat sprake is van oneigenlijk gebruik.
Zijdens verweerder is ter zitting verklaard dat in het
onderhavige geval eisers besluit om zijn
bedrijfsactiviteiten onder te brengen in een BV niet
reeds aanleiding is geweest om "door de constructie heen
te zien". De Raad kan verweerder, ook gelet op de aard en
omvang van eisers werkzaamheden, in die zienswijze
volgen. Naar het oordeel van de Raad doet zich in casu
evenmin het geval voor, waarin anderszins is beoogd de
toepassing van anti-cumulatie- dan wel
kortingsvoorschriften te ontlopen, bijvoorbeeld omdat de
betrokkene vrijwillig heeft besloten om arbeid om niet of
tegen een zeer geringe beloning te verrichten. De
beschikbare financiële gegevens van de BV laten zien,
naar ook door de vertegenwoordiger van verweerder ter
zitting is erkend, dat eiser zich als directeur een
salaris heeft toegekend, waarvan de omvang in een
redelijke verhouding staat tot de omzet van de BV.
De Raad ziet dan ook geen grond voor de aanpak van
verweerder om bij de toepassing van artikel 5 van Pro de
Verordening niet de reële cijfers van de BV tot
uitgangspunt te nemen. De Raad acht in dit verband het
enkele argument van verweerder dat de posten
pensioenvoorziening en stamrechtverplichting het
bedrijfsresultaat van de BV te zeer negatief beïnvloeden,
niet voldoende zwaarwegend, aangezien deze beide
voorzieningen blijkens de gedingstukken geen bezwaar
hebben ontmoet bij de fiscale autoriteiten. In dat
verband neemt de Raad in aanmerking dat in zijn
algemeenheid de zienswijze van de bevoegde fiscale
autoriteiten grote betekenis dient te worden gehecht, met
dien verstande dat daarvan kan worden afgeweken indien
voldoende overtuigend wordt aangetoond dat de gegevens
die door de fiscale autoriteiten aanvaard zijn, niet
gevolgd behoren te worden.
Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat
verweerder bij zijn besluit d.d. 22 juni 1995 tot
vaststelling van eisers uitkering ingevolge de
Verordening over de jaren 1991 tot en met 1993 had dienen
uit te gaan van de winst van de BV minus de door de BV af
te dragen vennootschapsbelasting.
Dit brengt mee dat het bestreden besluit in dit onderdeel
moet worden vernietigd.
De Raad zal zich voorts richten op het verzoek namens
eiser, strekkende tot vergoeding van renteschade op grond
van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Verweerder heeft tegen dat verzoek geen bedenkingen
ingebracht.
In een aantal uitspraken van de Raad - volstaan kan
worden met verwijzing naar zijn uitspraken van 1 en
8 november 1995 (JB 1995/314 en 296) - ligt besloten dat
voor de vaststelling van zodanige schade zoveel mogelijk
aansluiting dient te worden gezocht bij het
civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Daarbij is in
het bijzonder van belang de jurisprudentie van de
burgerlijke rechter betreffende de gevolgen van een door
de admini-stratieve rechter vernietigd besluit.
Uit die jurisprudentie blijkt dat het bestuursorgaan dat
een dergelijk besluit heeft genomen - behoudens
bijzondere omstandigheden - een hem toe te rekenen
onrechtmatige daad heeft gepleegd, waaruit voor hem de
plicht voortvloeit aan de belanghebbende de schade te
vergoeden die deze als gevolg van het besluit lijdt.
Blijkens hetgeen hiervoren is overwogen is in casu ten
opzichte van eiser sprake van een onrechtmatig besluit
van verweerder d.d. 22 juni 1995. Nu niet is gebleken van
bijzondere omstandigheden, rust op verweerder de plicht
tot vergoeding van de door eiser dientengevolge geleden
schade.
De Raad acht de schade die gevormd wordt door de
wettelijke rente, op de voet van de artikelen 6:119 en
6:120 van het BW toewijsbaar vanaf de datum dat
verweerder aan eiser de uitkering over de jaren 1991 tot
en met 1993 zou hebben betaald, indien het besluit d.d.
22 juni 1995 zou hebben geluid zoals het rechtens had
behoren te luiden.
Ingevolge artikel 6 van Pro de Verordening geschiedt de
betaling van een uitkering als de onderhavige in
maandelijkse termijnen. De Verordening bevat echter geen
voorschriften met betrekking tot de dag waarop de
uitkering wordt betaald.
Gelet daarop en in aanmerking genomen dat bij het besluit
d.d. 22 juni 1995 eisers uitkering over de jaren 1991 tot
en met 1993 is vastgesteld, neemt de Raad omwille van een
praktische en eenvormige rechtstoepassing in casu tot
uitgangspunt, dat het aan eiser uit dien hoofde rechtens
toekomende bedrag had moeten zijn betaald uiterlijk op de
laatste dag van de maand waarin het besluit tot
vaststelling van eisers uitkering over genoemde jaren is
genomen, zodat de wettelijke rente over het bedrag dat te
weinig is betaald, verschuldigd wordt op de eerste dag
van de maand volgende op die waarin de juiste betaling
had moeten plaatsvinden.
De eerste dag voor de periode waarover de rente
verschuldigd is, wordt derhalve gesteld op 1 juli 1995;
deze periode strekt zich vervolgens uit tot aan de dag
der voldoening toe.
Hierbij geldt dat de berekening van de rente dient te
geschieden over het bedrag dat bruto had moeten worden
nabetaald.
Bij de berekening van de wettelijke rente dient voorts
telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover
wettelijke rente wordt berekend te worden vermeerderd met
de over dat jaar verschuldigde rente.
Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat
het verzoek van eiser, strekkende tot vergoeding van
renteschade op grond van artikel 8:73 van Pro de Awb, voor
toewijzing in aanmerking komt. In casu brengt dit mee dat
ook het besluit in primo moet worden vernietigd.
De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om toepassing
te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb en
verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser
tot een bedrag van ƒ 1.420,-- wegens verleende
rechtsbijstand. Van andere kosten, die in dit verband
voor vergoeding in aanmerking komen, is de Raad niet
gebleken.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit en het besluit van
verweerder d.d. 22 juni 1995;
Bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met
inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt de gemeente Beuningen tot vergoeding van de
renteschade als in rubriek II van deze uitspraak is
overwogen;
Veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten
bedrage van ƒ 1.420,--;
Gelast dat aan eiser het griffierecht van ƒ 200,-- wordt
vergoed;
Wijst de gemeente Beuningen aan als de rechtspersoon die
de proceskosten en het griffierecht dient te vergoeden.
Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en
mr R.C. Schoemaker en mr H.R. Geerling-Brouwer als leden,
in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en
uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 1997.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) J.P. Schieveen.