ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7236
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- G.A.J. van den Hurk
- Ch.J.G. Olde Kalter
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding met kostganger
Appellante ontving sinds 1992 een volledig AOW-pensioen voor een ongehuwde. Na het overlijden van haar partner in 1994 stelde de Sociale Verzekeringsbank een onderzoek in naar een overlijdensuitkering en herziening van het pensioen. Op basis van een huisbezoek en rapportage werd vastgesteld dat appellante en haar partner sinds 1989 duurzaam een gezamenlijke huishouding voerden.
De herziening hield in dat het pensioen werd vastgesteld op het wettelijke bedrag voor gehuwden of ongehuwden die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren met een partner van 65 jaar of ouder. Tevens werd het onverschuldigd betaalde pensioen over de periode 1992-1994 teruggevorderd. Appellante voerde aan dat er slechts sprake was van een commerciële kostgangersrelatie, maar kon dit niet met objectieve gegevens aantonen.
De Raad overwoog dat het criterium voor gezamenlijke huishouding objectief moet worden beoordeeld, waarbij het delen van huisvesting en bijdragen aan de huishoudkosten of verzorging centraal staan. Er was geen schriftelijk contract of bewijs van betaling van kostgeld. De rapportage van het huisbezoek gaf aanwijzingen voor een gezamenlijke huishouding, en appellante kon deze niet overtuigend weerleggen.
De Raad bevestigde dat de Sociale Verzekeringsbank terecht de AOW-uitkering had herzien en het onverschuldigd betaalde bedrag mocht terugvorderen. Er was geen sprake van onredelijk of onrechtmatig handelen door de bank. Het beroep tegen deze besluiten werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De herziening van de AOW-uitkering en de terugvordering van onverschuldigd betaald pensioen worden bevestigd omdat sprake is van een gezamenlijke huishouding.