ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7420
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- P.H. Hugenholtz
- J.C.F. Talman
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van bijstandsverlening bij dreigende huisuitzetting wegens huurschuld
Appellante verzocht om bijstand ter aflossing van een schuldenlast, welke door gedaagde werd afgewezen omdat zij beschikte over voldoende middelen en er geen zeer dringende redenen waren voor bijstand. Appellante stelde dat de dreigende huisuitzetting wegens huurschuld als zeer dringende reden moest worden aangemerkt.
De Raad stelde vast dat appellante bij het ontstaan van de schuldenlast en nadien over voldoende inkomen beschikte, mede vanwege toepassing van een woningdelersaftrek conform het Bijstandsbesluit. De verslaving van haar zoon en diens onvoldoende inkomsten veranderden hier niets aan.
De Raad oordeelde dat dreigende huisuitzetting in beginsel niet als zeer dringende reden geldt voor bijstandsverlening, tenzij er sprake is van een levensbedreigende situatie. Aangezien deze situatie niet was vastgesteld, werd het bestreden besluit bevestigd en de bijstand geweigerd.
De Raad benadrukte dat de ABW niet bedoeld is om de financiële gevolgen van schulden weg te nemen en vond geen aanleiding om af te wijken van dit uitgangspunt. Er werd ook geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van bijstand omdat de dreigende huisuitzetting geen zeer dringende reden vormt.