ECLI:NL:CRVB:1998:AA8614
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- Chr. van Voorst
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering ziekengeld en toepasselijkheid zesmaandstermijn bij fraudemelding
Het geschil betreft de terugvordering van onverschuldigd betaald ziekengeld aan gedaagde over de periode van 1 februari tot 14 december 1994. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) vorderde dit bedrag terug op grond van het niet melden van werkzaamheden tijdens ziekte. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep deels gegrond en vernietigde het terugvorderingsbesluit voor zover het niet was beperkt tot zes maanden na een fraudemelding van 9 mei 1994.
Het Lisv stelde in hoger beroep dat gedaagde opzettelijk informatie had achtergehouden, waardoor de zesmaandstermijn niet van toepassing zou zijn. De Raad oordeelde echter dat er onvoldoende bewijs was voor opzet en dat de zesmaandstermijn uit jurisprudentie geldt om het zorgvuldigheidsbeginsel te waarborgen. De fraudemelding van 9 mei 1994 was anoniem en onvoldoende concreet om direct tot aanpassing van de uitkering over te gaan.
De Raad stelde dat nader onderzoek noodzakelijk was alvorens de uitkering aangepast mocht worden. Gezien het feit dat gedaagde op 12 december 1994 werd gehoord en de uitkering op 14 december werd aangepast, was het Lisv adequaat en tijdig opgetreden. De eerdere uitspraak werd vernietigd en het hoger beroep van het Lisv ongegrond verklaard, waarmee de terugvordering werd beperkt tot de periode van zes maanden na het eerste signaal.
Uitkomst: Het hoger beroep van het Landelijk instituut sociale verzekeringen wordt ongegrond verklaard en de terugvordering beperkt tot zes maanden na het eerste duidelijke signaal.