ECLI:NL:CRVB:1998:AA8776
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- P.H. Hugenholtz
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid overheid voor schade door onrechtmatig primair besluit WW-uitkering
In deze zaak vordert gedaagde een WW-uitkering met ingang van 1 augustus 1994, maar het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) kende deze pas toe vanaf 15 augustus 1994. De uitkering over de periode van 3 tot en met 12 augustus 1994 werd aanvankelijk geweigerd wegens vakantie, maar na bezwaar werd dit besluit herroepen en de uitkering alsnog toegekend op grond van het vertrouwensbeginsel.
De rechtbank had het besluit vernietigd voor zover het de weigering van wettelijke rente betrof en oordeelde dat Lisv onrechtmatig had gehandeld en daardoor schadeplichtig was. Lisv ging in hoger beroep tegen deze aansprakelijkstelling. De Raad onderschrijft echter de lijn van de rechtbank en bevestigt dat een onrechtmatig primair besluit in beginsel leidt tot aansprakelijkheid van het bestuursorgaan, ook als het besluit in bezwaar wordt herroepen.
De Raad benadrukt dat deze aansprakelijkheid niet als straf bedoeld is, maar voortvloeit uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad die stelt dat schade door onrechtmatig overheidsoptreden voor rekening van de overheid komt, ook als er geen verwijt is. De Raad veroordeelt Lisv tot vergoeding van de wettelijke rente en proceskosten, en bevestigt het oordeel dat het primaire besluit onrechtmatig was.
Uitkomst: Het Landelijk instituut sociale verzekeringen is aansprakelijk voor schade door het onrechtmatig primair besluit en moet wettelijke rente en proceskosten vergoeden.