ECLI:NL:CRVB:1998:BD2010

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 december 1998
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
97/847 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:72 AwbArt. 25 BeroepswetArt. 26 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak en terugwijzing zaak over herziening WAO-uitkering

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) om zijn WAO-uitkering per 1 januari 1995 in te trekken en de mate van arbeidsongeschiktheid te herzien van 15-25%. De rechtbank had het besluit vernietigd en de uitkering herzien vastgesteld, maar deed dit zonder toestemming van beide partijen de zaak zonder zitting af te doen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank in strijd met artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht handelde omdat niet beide partijen toestemming hadden gegeven voor het achterwege laten van een zitting. Tevens had de rechtbank onvoldoende rekening gehouden met een nieuw medisch rapport uit 1996 en ontbraken belangrijke stukken in het dossier.

Daarom vernietigde de Raad de uitspraak en wees de zaak terug naar de rechtbank te Haarlem voor nader onderzoek, waarbij ook de ontbrekende medische en arbeidskundige rapporten moeten worden betrokken. De Raad bepaalde dat het griffierecht aan appellant moet worden vergoed en dat de proceskostenveroordeling afhankelijk is van de uitkomst van het vervolgproces.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor nader onderzoek.

Uitspraak

97/847 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalindustrie en de Electrotechnische Industrie. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 1 november 1994 heeft gedaagde de aan appellant krachtens de Wet op de arbeidsongeschikt-heidsverzekering (WAO) toegekende uitkering, die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, met ingang van 1 januari 1995 ingetrokken op de grond dat appellants arbeidsongeschiktheid per die datum moet worden gesteld op minder dan 15%.
De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 2 januari 1997 het tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Voorts heeft die rechtbank, zelf in de zaak voorziende, bepaald dat appellants uitkering ingevolge de WAO per 1 januari 1995 wordt herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Appellant is bij gemachtigde mr P.J.H. Vinke, advocaat te Hoofddorp, van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Vanwege gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft gedaagde stukken in het geding gebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 20 november 1998, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Vinke, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr M.E. Francke, werkzaam bij GAK Nederland B.V.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 8 april 1993 heeft gedaagde de aan appellant krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de WAO toegekende uitkeringen, die toen werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, voor zover het de uitkering ingevolge de AAW betrof ingetrokken en voor zover het de uitkering ingevolge de WAO betrof, herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, zulks met ingang van 1 juni 1993.
Blijkens de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige stukken die aan dit besluit ten grondslag liggen, berust dit besluit op het standpunt dat appellant op 1 juni 1993 weliswaar beperkingen ondervond voor het verrichten van arbeid, maar dat hij met in achtneming van die beper-kingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de ten aanzien van hem geselecteerde functies.
Tegen dat besluit heeft appellant beroep bij de rechtbank ingesteld.
Ten behoeve van de gedingvoering tegen dat besluit heeft de rechtbank als deskundige de longarts J.P. Teengs ingeschakeld om haar van verslag en advies te dienen, met betrekking tot de vraag of van de kant van gedaagde appellants beperkingen voor het verrichten van arbeid juist waren vastgesteld en of appellant, gezien die beperkingen, in staat was op de datum toen in geding, 1 juni 1993, de aan hem van de zijde van gedaagde voorgehouden functies te verrichten.
De deskundige Teengs heeft in die procedure onder meer op 17 mei 1994 aan de rechtbank gerapporteerd.
Hangende die gedingvoering is ter uitvoering van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen het bestreden besluit genomen.
Blijkens de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige stukken die aan dit besluit ten grondslag liggen, berust dit besluit op het standpunt dat appellant op 1 januari 1995, met de bij hem bestaande medische beperkingen voor
het verrichten van arbeid, geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de ten aanzien van appellant geselecteerde arbeidsmogelijkheden.
Het tegen dit besluit gerichte beroep heeft de rechtbank behandeld, gevoegd met het beroep van appellant tegen het besluit d.d. 8 april 1993.
Bij uitspraak d.d. 3 november 1995 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het laatstgenoemde besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
Deze uitspraak van de rechtbank is tussen partijen rechtens verbindend geworden.
Het onderzoek met betrekking tot het beroep tegen het bestreden besluit heeft de rechtbank heropend.
Ter voortzetting van dat onderzoek heeft de rechtbank vervolgens wederom de deskundige J.P. Teengs verzocht van verslag en advies te dienen met een vraagstelling gelijksoortig aan die welke hierboven ter zake van het besluit d.d. 8 april 1993 is weergegeven, met dien verstande dat zij de thans aan de deskundige voorgelegde vraagstelling heeft toegespitst op de datum hier in geding, 1 januari 1995.
Bij rapport d.d. 15 oktober 1996 heeft de deskundige van verslag en advies gediend. Hij kon zich, uitgaande van de juist genoemde datum, met betrekking tot 12 aspecten niet verenigen met het door gedaagde in aanmerking genomen belastbaarheidspatroon d.d. 24 februari 1993 en voorts achtte de deskundige de appellant voorgehouden arbeidsmogelijkheden voor hem ongeschikt.
Bij brief d.d. 2 december 1996 heeft de rechtbank partijen verzocht haar binnen drie weken schriftelijk te berichten of zij er wel of niet mee instemden dat in deze zaak uitspraak werd gedaan zonder behandeling ter zitting.
Namens appellant is bij brief d.d. 13 december 1996 die toestemming gegeven, terwijl van de kant van gedaagde niet is gereageerd op de brief van de rechtbank d.d. 2 december 1996.
Vervolgens heeft de rechtbank onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder onderzoek ter zitting uitspraak gedaan.
De rechtbank is in de aangevallen uitspraak, gelet op het rapport d.d. 17 mei 1994 van de deskundige J.P. Teengs, op grond waarvan de rechtbank één van de aan appellant voorgehouden functies ongeschikt voor hem achtte, van oordeel dat gedaagde met betrekking tot de voor appellant geldende resterende verdiencapaciteit een onjuist mediaanloon heeft gehanteerd. Gebruikmaking van het juiste mediaanloon moet er naar het oordeel van de rechtbank toe leiden dat appellants arbeidsongeschiktheid dient te worden ingedeeld in de klasse 15 tot 25%. De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, in deze zin zelf in de zaak voorzien.
Appellant keert zich in hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank om zelf in de zaak te voorzien in voege als in de aangevallen uitspraak is geschied. Met een beroep op het rapport d.d. 15 oktober 1996 van de deskundige J.P. Teengs betoogt appellant - samengevat - dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per 1 januari 1995 onveranderd op 80 tot 100% dient te worden gesteld.
De Raad overweegt allereerst het volgende.
Op grond van artikel 8:57 van Pro de Awb kan de rechtbank bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven.
Dit voorschrift laat er geen twijfel over bestaan dat in een geding als het onderhavige de bedoelde toestemming door beide partijen dient te worden verleend.
Aangezien gedaagde die toestemming niet heeft gegeven heeft de rechtbank gehandeld in strijd met dat artikel.
Reeds hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.
De Raad heeft zich beraden omtrent de vraag of de zaak al dan niet moet worden teruggewezen naar de rechtbank te Haarlem. Hij heeft deze vraag bevestigend beantwoord, waartoe het volgende in aanmerking is genomen.
Zoals namens partijen naar voren is gebracht heeft de rechtbank de vraag of de medische grondslag van het bestreden besluit deugdelijk is uitsluitend beoordeeld met inachtneming van het rapport d.d. 17 mei 1994 van de door haar ingeschakelde deskundige J.P. Teengs, welk rapport is opgemaakt ten behoeve van de gedingvoering met betrekking tot het besluit van gedaagde d.d. 8 april 1993.
De rechtbank heeft geen enkele aandacht geschonken aan het rapport d.d. 15 oktober 1996 dat deze deskundige ten behoeve van de gedingvoering tegen het bestreden besluit heeft opgemaakt.
Voorts is ter zitting van de Raad namens gedaagde medegedeeld dat aan zijn zijde, naar aanleiding van het juist genoemde rapport, verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden, uitmondend in een bijgesteld beperkingenpatroon, terwijl eveneens een nader arbeidskundig rapport is opgemaakt. Beide stukken bevinden zich niet onder de gedingstukken.
Verder heeft de gemachtigde van gedaagde ter zitting van de Raad medegedeeld dat haar was gebleken dat bij de berekening van de mate van appellants arbeidsongeschiktheid van een onjuist maatmaninkomen is uitgegaan.
Gezien het voorgaande acht de Raad nader onderzoek door de rechtbank noodzakelijk.
De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd en de zaak zal met toepassing van artikel 26, eerste lid, onder b, van de Beroepswet worden teruggewezen naar de rechtbank.
Met betrekking tot de in het onderhavige hoger beroep door appellant gemaakte proceskosten overweegt de Raad dat de rechtbank - afhankelijk van de uitkomst van het bij haar voort te zetten geding - die kosten in een eventuele proceskostenveroordeling dient te betrekken. De Raad merkt daarbij op dat deze kosten worden begroot op € 1.420,- voor verleende rechtsbijstand.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellant gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Wijst de zaak terug naar de Arrondissementsrechtbank te Haarlem.
Aldus gegeven door mr W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr T. Hoogenboom en mr C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 december 1998.
(get.) W.D.M. van Diepenbeek.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
AB