ECLI:NL:CRVB:1999:AA5071
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- A. Beuker-Tilstra
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WAO-uitkering na herstel arbeidsgeschiktheid per 15 juni 1995
Appellant, voormalig administratief medewerker, ontving een uitkering op grond van de Uitkeringsregeling 1966 na ontslag in 1991. Na ziekmelding in 1993 werd zijn uitkering opgeschort en later per 25 december 1994 omgezet in een WAO-uitkering. Op 15 juni 1995 verklaarde de bedrijfsarts appellant weer volledig arbeidsgeschikt, waarna de uitkering werd hersteld en later beëindigd.
Appellant maakte bezwaar tegen het oordeel van arbeidsgeschiktheid, waarna een geneeskundig onderzoek door een commissie van drie artsen het oordeel van de bedrijfsarts bevestigde. De uitkeringsbeëindiging per 15 juni 1995 werd gehandhaafd, en het bezwaar ongegrond verklaard door de rechtbank.
In hoger beroep stelt appellant dat hij niet opnieuw ter zitting is gehoord na heropening van het onderzoek. De Raad oordeelt dat dit verzoek via een brief van zijn gemachtigde is behandeld en dat appellant geen gegronde reden heeft gegeven voor een hernieuwde zitting.
De Raad concludeert dat de medische onderzoeken voldoende aandacht hebben besteed aan alle klachten van appellant (oog-, long-, suiker- en psychische klachten) en dat er geen belemmeringen waren voor het verrichten van administratief werk per genoemde datum. Eventuele latere verslechteringen zijn niet relevant voor de beoordeling.
Daarom wordt het beroep van appellant ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WAO-uitkering per 15 juni 1995 wegens arbeidsgeschiktheid.