ECLI:NL:CRVB:1999:AA5071

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 december 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
97/9882 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbUitkeringsregeling 1966Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging WAO-uitkering na herstel arbeidsgeschiktheid per 15 juni 1995

Appellant, voormalig administratief medewerker, ontving een uitkering op grond van de Uitkeringsregeling 1966 na ontslag in 1991. Na ziekmelding in 1993 werd zijn uitkering opgeschort en later per 25 december 1994 omgezet in een WAO-uitkering. Op 15 juni 1995 verklaarde de bedrijfsarts appellant weer volledig arbeidsgeschikt, waarna de uitkering werd hersteld en later beëindigd.

Appellant maakte bezwaar tegen het oordeel van arbeidsgeschiktheid, waarna een geneeskundig onderzoek door een commissie van drie artsen het oordeel van de bedrijfsarts bevestigde. De uitkeringsbeëindiging per 15 juni 1995 werd gehandhaafd, en het bezwaar ongegrond verklaard door de rechtbank.

In hoger beroep stelt appellant dat hij niet opnieuw ter zitting is gehoord na heropening van het onderzoek. De Raad oordeelt dat dit verzoek via een brief van zijn gemachtigde is behandeld en dat appellant geen gegronde reden heeft gegeven voor een hernieuwde zitting.

De Raad concludeert dat de medische onderzoeken voldoende aandacht hebben besteed aan alle klachten van appellant (oog-, long-, suiker- en psychische klachten) en dat er geen belemmeringen waren voor het verrichten van administratief werk per genoemde datum. Eventuele latere verslechteringen zijn niet relevant voor de beoordeling.

Daarom wordt het beroep van appellant ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WAO-uitkering per 15 juni 1995 wegens arbeidsgeschiktheid.

Uitspraak

97/9882 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij zijn beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 12 september 1997, nr. AWB 96/7473 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen. In diverse brieven heeft hij zijn standpunt nader toegelicht.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 21 oktober 1999, waar appellant in persoon is verschenen; gedaagde heeft zich niet doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer uitgebreide weergave van de voor dit geding relevante feiten, volstaat de Raad met de navolgende vermelding. Aan appellant is in verband met zijn ontslag per 1 januari 1991 uit zijn functie van administratief medewerker bij het Directoraat Generaal voor de Arbeidsvoorziening een uitkering ingevolge de Uitkeringsregeling 1966 toegekend. Laatstelijk op 24 december 1993 heeft hij zich ziekgemeld, in verband waarmee zijn uitkering krachtens die regeling is opgeschort. Bij besluit van 20 maart 1995 is hem met ingang van 25 december 1994 een uitkering overeenkomstig de normen van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. De bedrijfsarts dr. R.T. Evenwel heeft appellant met ingang van 15 juni 1995 weer volledig arbeidsgeschikt verklaard, in verband waarmee zijn opgeschorte uitkering ingevolge de Uitkeringsregeling 1966 is hersteld.
Naar aanleiding van de door appellant geuite bezwaren tegen dit oordeel heeft een geneeskundig onderzoek plaatsgevonden door een Commissie van drie geneeskundigen. Deze Commissie heeft het oordeel van de bedrijfsarts Evenwel bevestigd. Daarop heeft gedaagde bij besluit van 29 september 1995 appellants uitkering overeenkomstig de normen van de WAO met ingang van 15 juni 1995 beëindigd. De namens appellant tegen dat besluit ingediende bezwaren zijn bij het bestreden besluit van 20 juni 1996 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het laatstgenoemde besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Naar aanleiding van het door appellant tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep overweegt de Raad vooreerst het volgende. Blijkens zijn beroepschrift maakt appellant bezwaar tegen het feit dat hij, nadat de rechtbank na afloop van de zitting van 19 juni 1997 het onderzoek in zijn zaak had heropend, niet in de gelegenheid is gesteld nogmaals ter zitting te worden gehoord. Naar het oordeel van de Raad ziet appellant er aldus aan voorbij dat zijn voormalige gemachtigde bij brief van 7 augustus 1997 de rechtbank heeft verzocht om "aan de hand van de nader ingekomen stukken haar standpunt te bepalen" onder mededeling dat het namens appellant ingenomen standpunt werd gehandhaafd alsmede het verzoek een deskundige te benoemen. Aangezien appellant niet beargumenteerd heeft aangegeven dat de rechtbank de brief van 7 augustus 1997 ten onrechte heeft opgevat als het verlenen van toestemming om een (hernieuwd) onderzoek ter zitting achterwege te laten, kan deze grief reeds hierom niet slagen.
In geding is de vraag of gedaagde op goede gronden heeft aangenomen dat appellant op 15 juni 1995 in staat moest worden geacht tot het verrichten van zijn eigen (vroegere) werkzaamheden als administratief medewerker. Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend.
De Raad stelt daarbij voorop dat de bedrijfsarts Evenwel en de Commissie van drie geneeskundigen aan alle door appellant naar voren gebrachte klachten (oogklachten, longklachten, suikerziekte en psychische klachten) aandacht hebben besteed en na een zorgvuldig medisch onderzoek tot het oordeel zijn gekomen dat appellant ondanks deze klachten met ingang van 15 juni 1995 arbeidsgeschikt moest worden geacht. De Raad voegt daar nog het volgende aan toe.
Met betrekking tot de oogklachten wijst de Raad erop dat appellant op de datum in geding (nog) niet onder behandeling was van een oogarts, terwijl de oogarts drs L.D.M. van Osch, bij wie appellant nadien onder behandeling is gekomen, in zijn schrijven van 2 mei 1996 heeft aangegeven dat het niet waarschijnlijk is dat er in juni 1995 sprake was van ernstige visusproblemen. Wat betreft de longklachten is niet gebleken dat deze relevante beperkingen voor het verrichten van administratief werk opleveren. Blijkens informatie van de behandelend internist dr. S.J. Smith werd nog tot in 1996 geen medicatie voor deze klachten noodzakelijk geacht. Wat appellants suikerziekte aangaat wijst de Raad op de zich onder de gedingstukken bevindende brief van 10 mei 1995 van de behandelend internist J.R. van der Mey, blijkens welke bij appellant, ondanks problemen met het instellen van de insuline, geen contra-indicaties bestonden voor het verrichten van administratief werk.
Met betrekking tot de psychische klachten is de Raad op grond van het op verzoek van de bedrijfsarts Evenwel op 6 oktober 1994 door de zenuwarts P.R. Walburgh Schmidt uitgebrachte expertise-rapport alsmede de brief van 23 oktober 1995 van appellants destijds behandelend psycholoog/psychotherapeut E.W. Pontier van oordeel dat er bij appellant op de in geding zijnde datum ook op psychische gronden geen beletselen aanwezig waren voor het verrichten van zijn werkzaamheden als administratief medewerker. In de overige gedingstukken heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunten kunnen vinden voor een andersluidend oordeel. Aan het vorenstaande kan evenmin afdoen dat appellants psychische gesteldheid nadien mogelijk is verslechterd, omdat in dit geding uitsluitend de situatie per 15 juni 1995 ter beoordeling staat.
Hieruit volgt dat appellants beroep niet kan slagen. Aangezien de Raad voorts geen aanleiding ziet voor toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, dient te worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr A. Beuker-Tilstra als leden, in tegenwoordigheid van mr A.W.M. van Bommel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 december 1999.
(get.) W. van den Brink.
(get.) A.W.M. van Bommel.
HD 22.11 Q