ECLI:NL:CRVB:1999:AA5511
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- J.H. van Kreveld
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering bevordering ambtenaar naar hogere rang ondanks NATO-waardering
Appellant vervulde van december 1989 tot oktober 1992 een NATO-functie die oorspronkelijk in de Organisatietabel van de Koninklijke Luchtmacht was gewaardeerd op de rang sergeant-majoor, terwijl de NATO de functie op een hogere rang (adjudant-onderofficier) had gewaardeerd. Appellant verzocht in 1994 om met terugwerkende kracht bevorderd te worden tot adjudant-onderofficier vanaf juni 1990, maar dit verzoek werd door de Staatssecretaris van Defensie afgewezen en deze beslissing werd bevestigd door de rechtbank.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant vanaf het begin wist welke rang aan zijn functie was verbonden en dat hij gedurende de functievervulling in de lagere rang heeft berust. Het verzoek om bevordering kwam pas ruim twee jaar na afloop van de functievervulling, waardoor de weigering om alsnog bevordering toe te kennen terughoudend moet worden getoetst.
De Raad stelt vast dat de Staatssecretaris zijn beslissing voldoende heeft gemotiveerd en dat appellant geen omstandigheden heeft aangevoerd die de weigering onredelijk maken. Ook het argument dat een motiveringsgebrek in het primaire besluit niet had mogen worden hersteld, wordt verworpen. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het verzoek tot bevordering met terugwerkende kracht wordt afgewezen en het bestreden besluit wordt bevestigd.