De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van vijf eiseressen tegen correctienota's van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) over de jaren 2000 tot en met 2003. Verweerder had premies vastgesteld op basis van gegevens van de Belastingdienst en FIOD, waarbij fooien als loon waren aangemerkt. Eiseressen betwistten onder meer de rechtmatigheid van het gebruikte bewijs, de berekeningsmethodiek en de aanmerkingen op fooien.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs van de FIOD en Belastingdienst niet onrechtmatig was verkregen en geen sprake was van détournement de pouvoir. Wel werd geoordeeld dat fooien ten onrechte als loon waren meegeteld, omdat het loon conform CAO was en fooien niet in de loonadministratie waren verwerkt. De extrapolatie van omzet en loon werd als gerechtvaardigd beoordeeld vanwege het niet naleven van de bewaarplicht door eiseressen.
Verder werd vastgesteld dat verweerder terecht tot brutering was overgegaan en dat de motivering en zorgvuldigheid van het besluit voldoende waren. De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond, vernietigde het bestreden besluit voor zover het de fooien betrof, en veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.