ECLI:NL:CRVB:1999:AA8512
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering vreemdeling zonder rechtmatig verblijf na inwerkingtreding Koppelingswet
Verzoeker, een vreemdeling zonder geldige verblijfstitel sinds 1992, kreeg aanvankelijk een bijstandsuitkering toegekend. Na inwerkingtreding van de Koppelingswet per 1 juli 1998, die het recht op bijstand koppelt aan rechtmatig verblijf, werd deze uitkering beëindigd. Verzoeker maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit.
De rechtbank en vervolgens de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat verzoeker geen aanspraak kan maken op bijstand omdat hij niet rechtmatig in Nederland verblijft zoals vereist in artikel 7 van Pro de Algemene bijstandswet en artikel 1b van de Vreemdelingenwet. De overgangsregeling en gezondheidsgronden boden geen uitweg. Ook eerdere uitspraken over de situatie vóór de Koppelingswet waren niet van toepassing op de gewijzigde situatie.
De Raad wees het verzoek om voorlopige voorziening af en bevestigde het besluit tot beëindiging van de uitkering. De motivering benadrukte de wettelijke koppeling van bijstand aan rechtmatig verblijf en het ontbreken daarvan bij verzoeker. Hiermee werd de juridische positie van vreemdelingen zonder verblijfsrecht na 1 juli 1998 verduidelijkt.
Uitkomst: De bijstandsuitkering van de vreemdeling zonder rechtmatig verblijf wordt beëindigd en het beroep wordt ongegrond verklaard.