ECLI:NL:CRVB:1999:AA8559
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- J.C.F. Talman
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Intrekking WW-uitkering met terugwerkende kracht in strijd met rechtszekerheidsbeginsel
Appellant werd op 1 juni 1994 werkloos en kreeg een WW-uitkering toegekend op basis van de aanname dat hij aan de arbeidsverledeneis voldeed. Bij interne controle in 1996 bleek dat slechts twee in plaats van vier jaren met voldoende loondagen in aanmerking genomen mochten worden, waardoor hij geen recht had op verlengde en vervolguitkering. Gedaagde besloot de onverschuldigd ontvangen uitkering terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de intrekking met terugwerkende kracht gerechtvaardigd was omdat appellant redelijkerwijs had moeten begrijpen dat hij niet voldeed aan de arbeidsverledeneis. De Centrale Raad van Beroep stelde echter vast dat appellant niet redelijkerwijs kon begrijpen dat hij niet voldeed aan de drie-uit-vijf-eis, mede gezien de onduidelijkheid over de loondagen in 1989 en het feit dat de brochure van gedaagde hierover onvoldoende informatie gaf.
De Raad oordeelde dat de intrekking met terugwerkende kracht in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en vernietigde de bestreden besluiten. Gedaagde werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant en moest een nieuw besluit nemen over het bezwaar tegen het oorspronkelijke besluit van 3 oktober 1996.
Uitkomst: De intrekking met terugwerkende kracht van de verlengde en vervolguitkering is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en de bestreden besluiten worden vernietigd.