ECLI:NL:CRVB:1999:AA8575
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- J.C.F. Talman
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Toepassing overgangsrecht bij verwijtbare werkloosheid vóór 1 augustus 1996
De zaak betreft een hoger beroep van het Landelijk instituut sociale verzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank Breda over de toepassing van de Werkloosheidswet (WW) bij verwijtbare werkloosheid van gedaagde. Gedaagde was werkzaam bij een bouwbedrijf en werd ontslagen wegens niet-functioneren. Het geschil draaide om de vraag welke versie van de WW van toepassing was op de verwijtbare gedragingen die tot het ontslag leidden.
De Raad oordeelde dat het overgangsrecht in artikel XVII van de Wet Boeten bepaalt dat de WW-bepalingen zoals die golden vóór 1 augustus 1996 van toepassing zijn op gedragingen die zich vóór die datum voordeden, ook al viel de werkloosheidsdatum en besluitvorming ná die datum. Uit de feiten bleek dat de verwijtbare gedragingen van gedaagde, waaronder een gesprek op 15 juli 1996 waarin duidelijk werd dat het vertrouwen van de werkgever was verloren, vóór 1 augustus 1996 plaatsvonden.
De Raad stelde vast dat gedaagde zich verwijtbaar had gedragen en dat hij redelijkerwijs moest begrijpen dat dit tot ontslag zou leiden. De rechtbank had het besluit van appellant vernietigd omdat het verkeerde wettelijke grondslag gebruikte. De Raad bevestigde deze uitspraak, wees het hoger beroep af en veroordeelde appellant in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.