ECLI:NL:CRVB:1999:AA8594
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- M.A. Hoogeveen
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herleving WW-uitkering na ambtelijke aanstelling van acht maanden
Appellante was van 1 oktober 1990 tot 1 februari 1993 gerechtigd op een WW-uitkering met een duur van vier jaar, die op 1 februari 1993 eindigde. Vervolgens was zij elf maanden junior-jurist bij het Ministerie van Defensie werkzaam, waarvan de laatste acht maanden als ambtenaar in de zin van de ABP. Na afloop hiervan vroeg zij herleving van haar WW-uitkering over de resterende periode tot 1 oktober 1994. Gedaagde weigerde dit op grond van artikel 8, vierde lid, van de WW, omdat de periode als ambtenaar te lang was.
De Raad stelde vast dat appellante door haar ambtelijke aanstelling de status van werknemer in de zin van de WW had verloren en dat de wettelijke termijn van artikel 8, vierde lid, WW een beletsel vormt voor herleving van die status. De Raad verwierp het verweer van appellante dat sprake zou zijn van een onvoorziene omissie in de wetgeving en dat zij onjuiste informatie had ontvangen van medewerkers van het GAK. De Raad oordeelde dat de termijn van acht maanden niet overschreden had mogen worden en dat gedaagde geen beleidsvrijheid heeft om hiervan af te wijken.
De Centrale Raad bevestigde het bestreden besluit en oordeelde dat geen gronden aanwezig waren om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd in het openbaar gegeven op 25 mei 1999 door de voorzitter en leden van de Raad.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt de weigering tot herleving van de WW-uitkering na acht maanden ambtelijke aanstelling.