ECLI:NL:CRVB:1999:AA8616
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- Th.C. van Sloten
- P.H. Hugenholtz
- Rechtspraak.nl
Beoordeling sanctie op WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na uittredingsregeling havenakkoord
In deze zaak staat de vraag centraal of de werknemer, die gebruik maakte van een uittredingsregeling binnen de Amsterdamse en Rotterdamse havens, verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet (WW). De werknemer beëindigde zijn dienstverband met de werkgever op basis van deze regeling, die feitelijk een beëindiging met wederzijds goedvinden was. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) legde een sanctie op van 30% gedurende 21 weken op de WW-uitkering, omdat zij de werknemer verwijtbaar werkloos achtte.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen deze sanctie ongegrond, maar oordeelde dat de sanctietoepassing te categorisch was zonder individuele omstandigheden voldoende mee te wegen. De Centrale Raad van Beroep stelt echter vast dat geen feiten zijn gebleken die aantonen dat de werknemer onder druk stond om de regeling te accepteren of dat hij niet in staat was het dienstverband voort te zetten. De Raad benadrukt dat de werknemer bewust het risico van langdurige werkloosheid heeft genomen gezien zijn leeftijd en arbeidsmarktkansen.
De Raad vernietigt het eerdere oordeel van de rechtbank en verklaart het beroep van het Lisv ongegrond, waarmee de sanctie gehandhaafd blijft. De sanctie is niet in strijd met wettelijke regels of algemene rechtsbeginselen. De zaak illustreert de toepassing van de sanctiebevoegdheid van het Lisv bij vrijwillige beëindiging van het dienstverband onder de WW.
Uitkomst: De sanctie van 30% gedurende 21 weken op de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid wordt gehandhaafd.