ECLI:NL:CRVB:1999:BJ5433
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- A. Beuker-Tilstra
- Rechtspraak.nl
Bevestiging disciplinaire schorsing wegens plichtsverzuim door onbetamelijke uitlatingen over rector
Appellant is door het College van Bestuur geschorst voor de duur van één maand wegens plichtsverzuim, omdat hij zich in een brief onbetamelijk heeft uitgelaten over het beleid van de rector ten opzichte van een vroegere collega. Deze brief, verzonden op 15 juli 1994, bevatte bewoordingen die de grenzen van het betamelijke overschreden.
Eerder was appellant al tweemaal gestraft voor soortgelijk plichtsverzuim: in 1992 met een schriftelijke berisping en in 1993 met inhouding van bezoldiging. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Het feit dat appellant geen gehoor vond voor zijn visie op het beleid rechtvaardigt niet het gebruik van onbetamelijke middelen.
Appellant was zich bewust van de gevolgen van zijn uitlatingen en het grievende karakter daarvan, ook al ontkende hij dat zijn lidmaatschap van de medezeggenschapsraad dat karakter zou wegnemen. De Raad ziet geen reden om het besluit tot schorsing te vernietigen of te matigen en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De opgelegde straf wordt als proportioneel beoordeeld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de disciplinaire schorsing van één maand wegens plichtsverzuim door onbetamelijke uitlatingen.