ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8270
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.A.A.G. Vermeulen
- H. Bekker
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- Rechtspraak.nl
Vernietiging ontslagbesluit wegens ernstige schending hoorplicht, rechtsgevolgen in stand gelaten
Appellante was vanaf 17 februari 1997 in tijdelijke dienst bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor werkzaamheden met een kennelijk tijdelijk karakter. Na gesprekken met haar afdelingshoofd op 13 maart en 1 april 1997, waarin geen verslag werd opgemaakt en partijen van mening verschilden over de inhoud, werd zij op 15 april 1997 onvoorbereid geconfronteerd met het voorgenomen ontslag. Het ontslagbesluit werd op 17 april 1997 toegezonden en na bezwaar gehandhaafd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, ondanks kritische opmerkingen over het ontbreken van schriftelijke verslaglegging en begeleiding. Appellante stelde in hoger beroep dat het ontslag onrechtmatig was vanwege grove procedurefouten, met name schending van het hoor en wederhoor, en dat het ontslag op onvoldoende feitelijke gronden berustte.
De Raad oordeelde dat de schending van de hoorplicht zo ernstig was dat deze niet in de bezwarenprocedure hersteld kon worden. Appellante had geen reële kans haar zienswijze te geven. Desondanks was er een redelijke grond voor ontslag, aangezien zij niet voldeed aan de verwachtingen en zelf aangaf vastgelopen te zijn. Daarom vernietigde de Raad het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Vergoeding van materiële en immateriële schade werd afgewezen. De Staat werd veroordeeld in de proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het ontslagbesluit wordt vernietigd wegens ernstige schending van de hoorplicht, maar de rechtsgevolgen blijven in stand omdat het ontslag op redelijke gronden berust.