ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8292
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- W.D.M. van Diepenbeek
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van besluit over arbeidsongeschiktheidsuitkering ondanks gewijzigde inkomensberekening
Appellant, een zelfstandige timmerman, ontving een AAW-uitkering wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Gedaagde, het Landelijk instituut sociale verzekeringen, besloot in 1995 de uitkering stop te zetten omdat appellant volgens hun berekening minder dan 25% arbeidsongeschikt was, wat het recht op uitkering uitsluit.
Appellant betwistte deze beslissing en voerde aan dat gedaagde onjuiste maatmaninkomens en bedrijfswinsten had gebruikt, onder meer omdat de arbeidsbeloning van zijn echtgenote niet was meegenomen. Tijdens de procedure herzag gedaagde de inkomensberekening, maar kwam tot dezelfde conclusie dat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verwierp het beroep van appellant en oordeelde dat het verbod van reformatio in peius niet was geschonden omdat de gewijzigde berekening niet tot een nadeliger uitkomst leidde. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat gedaagde het recht had om de juiste inkomensgegevens te gebruiken, mits het verdedigingsbeginsel niet werd geschonden.
De Raad concludeert dat het verdedigingsbeginsel niet werd geschonden omdat de gewijzigde berekening tijdig in het verweerschrift was opgenomen. De grieven van appellant worden verworpen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant fictief minder dan 25% arbeidsongeschikt is en derhalve geen recht heeft op AAW-uitkering.