ECLI:NL:CRVB:1993:ZB2889
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- G.A.J. van den Hurk
- R.M. van Male
- Rechtspraak.nl
Wijziging jurisprudentie omtrent maatmanloon bij zelfstandigen in AAW-uitkeringen
De zaak betreft een geschil tussen het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid en een zelfstandige rietdekker over de vaststelling van het maatmanloon voor de berekening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering onder de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW).
De gedaagde was van 1972 tot 1986 in loondienst en daarna zelfstandig ondernemer. Na het intreden van arbeidsongeschiktheid in 1987 werd de uitkering berekend op basis van de netto-winst over een deel van 1986, hetgeen de eerste rechter vernietigde vanwege onvoldoende rekening houden met de aanloopfase van het bedrijf.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het maatmanloon voortaan moet worden gebaseerd op het gemiddelde van de netto-winst over de laatste drie boekjaren voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid, waarbij elk jaar afzonderlijk geïndexeerd wordt. Dit voorkomt arbitraire discussies en sluit beter aan bij de fiscale gegevens.
De Raad bevestigt dat de bedrijfsvereniging in dit geval voldoende gegevens had en dat de uitkering terecht niet werd herzien of ingetrokken, ondanks dat de gedaagde inkomsten bleef ontvangen die hoger waren dan het evenredige deel van zijn arbeidsgeschiktheid. De eerdere vernietiging wordt daarom teruggedraaid en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De bestreden beslissing wordt in stand gelaten en het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard.