ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8390
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.G. Treffers
- G.A.J. van den Hurk
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige detentie en gevolgen immateriële schadevergoeding voor bijstandsrecht
Appellant vroeg bijstand aan na zijn voorlopige hechtenis en ontving een immateriële schadevergoeding van de Staat wegens onrechtmatige detentie. De gemeente beëindigde zijn bijstandsuitkering en stelde een extra vermogensvrijstelling toe vanwege deze vergoeding. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de intrekkingsbeslissing niet-ontvankelijk omdat het geen besluit zou zijn in de zin van de Awb. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat dit wel degelijk een besluit is en dat bezwaar en beroep mogelijk zijn. Verder stelde de Raad vast dat appellant pas op de datum van uitbetaling over de vergoeding kon beschikken, zodat deze niet eerder bij de vermogensvaststelling betrokken mocht worden.
De Raad bevestigde dat de gemeente terecht slechts een deel van de vergoeding als vrijgestelde vermogensbestanddelen mocht aanmerken. De terugvordering van bijstand door de gemeente valt onder de bevoegdheid van de kantonrechter. De Raad vernietigde het oordeel van de rechtbank over de ontvankelijkheid van het bezwaar en bepaalde dat de gemeente opnieuw op het bezwaar moet beslissen. Tevens veroordeelde de Raad de gemeente in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering per 1 juli 1994 was onjuist omdat appellant pas op 18 januari 1995 over de schadevergoeding kon beschikken; de gemeente moet opnieuw beslissen op het bezwaar.