Uitspraak
ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
MOTIVERING
BESLISSING
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 1958 gehuwd en na beëindiging van de samenwoning in 1981 werd in 1983 de scheiding van tafel en bed uitgesproken. Vanaf augustus 1989 ontving appellant een AOW-pensioen berekend naar de norm voor een ongehuwde. In 1996 meldde appellant dat hij weer bij zijn echtgenote ging wonen vanwege haar hulpbehoevendheid.
De Sociale Verzekeringsbank herzag daarop het pensioen en stelde de ingangsdatum van de herziening vast op 1 juni 1996, omdat appellant en zijn echtgenote sindsdien duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren. Appellant betwistte dit en stelde dat er geen sprake is van gezamenlijk voorzien in huisvesting in de zin van de AOW, omdat hij alleen vanwege verzorging in haar woning verbleef.
De Raad oordeelde dat het feitelijke verblijf van appellant in de woning van zijn echtgenote, het delen van kosten en wederzijdse verzorging voldoen aan de criteria van gezamenlijke huishouding volgens de AOW. De subjectieve gevoelens en motieven zijn daarbij irrelevant. De rechtbankuitspraken werden bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant en zijn echtgenote sinds mei 1996 een gezamenlijke huishouding voeren, waardoor het AOW-pensioen vanaf die datum als gehuwd wordt herzien.