ECLI:NL:HR:2002:AD9107
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- D.H. Beukenhorst
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat hervatting samenwoning leidt tot einde duurzaam gescheiden leven voor AOW-herziening
Het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank herzag de AOW-uitkering van belanghebbende met ingang van 1 januari 1996 en vorderde onterecht betaalde bedragen terug. Belanghebbende maakte bezwaar en ging in beroep bij de Arrondissementsrechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak, waarna belanghebbende cassatie instelde bij de Hoge Raad.
De Centrale Raad oordeelde dat sinds mei 1996 sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen belanghebbende en zijn echtgenote, waardoor niet langer duurzaam gescheiden leven kon worden aangenomen. De Hoge Raad stelt dat de Centrale Raad onterecht artikel 1, lid 4, van de AOW toepaste als criterium, omdat deze bepaling alleen ziet op niet-gehuwde personen. Echter, de feitelijke vaststelling dat belanghebbende sinds mei 1996 zijn hoofdverblijf bij zijn echtgenote had en dat de woning niet op commerciële basis werd ter beschikking gesteld, leidde tot de juiste conclusie dat de samenwoning was hervat.
De Hoge Raad bevestigt dat duurzaam gescheiden leven betekent dat echtgenoten elk hun eigen leven leiden alsof zij niet gehuwd zijn, en dat dit bestendig moet zijn bedoeld. De hervatting van samenwoning betekent het einde van duurzaam gescheiden leven. Belanghebbendes klachten falen daarom wegens gebrek aan belang. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de AOW-uitkering bevestigd.