ECLI:NL:CRVB:2000:AA5887
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep bevestigt terugvordering onverschuldigde AAW/WAO-uitkeringen
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) vorderde van gedaagde terugbetaling van onverschuldigde uitkeringen op grond van de AAW en WAO over de periode 28 oktober 1991 tot 27 april 1994. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep gedeeltelijk gegrond voor de periode 1 januari 1994 tot 27 april 1994 en vernietigde het terugvorderingsbesluit voor die periode.
Het hoger beroep van Lisv richtte zich tegen deze gedeeltelijke gegrondverklaring. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank buiten haar bevoegdheid trad door de mate van arbeidsongeschiktheid op een niet in een besluit vastgelegde datum te beoordelen, in strijd met artikel 8:69 Awb Pro. De Raad vernietigde dit deel van het vonnis en verklaarde het beroep tegen het terugvorderingsbesluit alsnog ongegrond.
De Raad bevestigde dat gedaagde over de gehele periode slechts recht had op een lagere mate van arbeidsongeschiktheid (35-45%) dan aanvankelijk werd aangenomen (80-100%). De onverschuldigde betalingen ontstonden doordat gedaagde geen mededeling had gedaan van het verrichten van werkzaamheden. De Raad zag geen reden om toepassing te geven aan artikel 8:75 Awb Pro en wees het beroep af.
De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige besluitvorming en het juiste tijdstip van vaststelling van arbeidsongeschiktheid bij terugvorderingen van sociale zekerheidsuitkeringen.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van onverschuldigde AAW/WAO-uitkeringen wordt ongegrond verklaard.