ECLI:NL:CRVB:2000:AA6774

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 juli 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
98/4706 MAW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:2 AwbArt. 8:75 AwbArt. 16 Inkomstenbesluit militairenArt. 7 VBD
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van besluit tot neerwaartse bijstelling van toelage buitenland defensiepersoneel

Appellant, een sergeant-majoor bij defensie, maakte bezwaar tegen de neerwaartse bijstelling van zijn toelage buitenland, toegekend op grond van het Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel (VBD). Hij betwistte met name de gebruikte percentages voor éloignement en duurtecorrectie die in tabellen bij het VBD zijn opgenomen.

De rechtbank had geoordeeld dat deze tabellen integraal onderdeel uitmaken van het VBD, dat als algemeen verbindend voorschrift geldt en waartegen op grond van de Algemene wet bestuursrecht geen beroep mogelijk is, tenzij strijd met hogere regelgeving kan worden aangetoond. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de juiste toepassing van het VBD door de Staatssecretaris van Defensie.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en benadrukt dat het VBD, inclusief de tabellen, bindende regels bevat die zijn vastgesteld op basis van wettelijke bevoegdheid. Er is geen sprake van strijdigheid met hogere regelgeving. Het hoger beroep van appellant wordt daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Appellant had ook aangevoerd dat hij onvoldoende gegevens had ontvangen om de juistheid van de tabellen te controleren, maar de Raad acht dit niet doorslaggevend. Er zijn geen gronden om het besluit te vernietigen of aan te passen.

De Raad besluit het bestreden besluit in stand te laten en wijst het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot neerwaartse bijstelling van de toelage buitenland wordt bevestigd.

Uitspraak

98/4706 MAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, [buitenland], appellant,
en
de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage op 15 mei 1998 onder nr. AWB 97/7515 MAWKLA gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 15 juni 2000, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr P. Reitsma, advocaat te Nijkerk en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr F. van der Meyden, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.
II. MOTIVERING
De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant, sergeant-majoor bij het dienstvak van de X-troepen, is met ingang van 1 juli 1993 de functie toegewezen van onderofficier toegevoegd Nederlands liaison office bij […] te [buitenland]. Op 12 april 1996 heeft appellant een verzoek ingediend om zijn toelage-buitenland, zoals bedoeld in het Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel (VBD), met ingang van de datum van plaatsing te relateren aan de situatie in [buitenland]. Bij besluit van 24 september 1996 heeft gedaagde aan dit verzoek voldaan en is de toelagebuitenland dientengevolge neerwaarts bijgesteld. Gelet op de omstandigheid dat de toelage-buitenland is verlaagd, is als ingangsdatum 1 juli 1996 gehanteerd en is geen negatieve berekening op appellants salaris toegepast.
Dit besluit is na bezwaar bij het bestreden besluit van 4 juni 1997 gehandhaafd.
Het daartegen ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Appellant bestrijdt de in de tabellen bij het VBD genoemde percentages op grond waarvan het éloignement en de duurtecorrectie voor [buitenland] worden berekend. Naar aanleiding daarvan heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de tabellen behorende bij artikel 7, vijfde lid (oud), van het VBD een integraal onderdeel uitmaken van het VBD, omdat ze een uitwerking zijn van specifieke artikelen uit het VBD. Het VBD is een algemeen verbindend voorschrift en kan alleen ter beoordeling staan in dit geding voor zover zou moeten worden vastgesteld dat de regeling in strijd is met een hogere regeling, waarvan de rechtbank niet is gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde voorts op een juiste wijze toepassing gegeven aan het VBD, door appellant met ingang van 1 juli 1996 een toelage-buitenland toe te kennen van 30,36 percent. Deze toelage is opgebouwd uit 30 percent éloignement en een duurtecorrectie van 0,36 percent.
In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat de tabellen bij het VBD geen (onderdeel van een) algemeen verbindend voorschrift zijn, maar dat zij vallen in de categorie van zogenoemde "concretiserende besluiten van algemene strekking", waartegen beroep mogelijk is.
Subsidiair heeft appellant gesteld dat gedaagde gegevens had dienen te verstrekken om hem in de gelegenheid te stellen te controleren of de tabellen bij het VBD omtrent de duurtecorrectie en/of het éloignement aan appellant tegengeworpen kunnen worden. Dit tegen de achtergrond van de door de Raad in de jurisprudentie aanvaarde regel dat er gevallen denkbaar zijn, waarin het tegenwerpen van het gestelde in een bepaald algemeen verbindend voorschrift in redelijkheid geen rechtsplicht meer kan zijn (of dat de regeling in strijd is met een hogere regeling waarvan ook de rechtbank gewag maakt).
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van het Inkomstenbesluit militairen kan bij ministeriële regeling de militair aanspraak worden verleend op een toelage of - in plaats daarvan - voorzieningen in natura ter zake van het verblijf van de militair buiten Nederland.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het ter uitvoering van voornoemde bepaling vastgestelde VBD heeft de gehuwde defensie-ambtenaar met aanspraak op salaris die is geplaatst in een gebied buiten Nederland en wiens gezin aldaar metterwoon is gevestigd, aanspraak op een toelage-buitenland bestaande uit:
a. een éloignement en
b. een duurtecorrectie, indien deze positief is, berekend over het voor hem geldend standaard netto Nederland, alsmede
c. een duurtecorrectie, berekend over het voor hem geldende éloignement.
Ingevolge artikel 7, vijfde lid (oud), van het VBD wordt het éloignement, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld "met toepassing van tabel 2".
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de tabellen behorende bij artikel 7, vijfde lid (oud), van het VBD een integraal onderdeel uitmaken van het VBD. Zoals artikel 7 van Pro het VBD is ook de hier toegepaste tabel 2 vastgesteld bij ministeriële regeling ter uitvoering van artikel 16 van Pro het Inkomstenbesluit militairen. Het gehele VBD bevat naar buiten werkende, voor de daarbij betrokkenen bindende regels, uitgegaan van het openbaar gezag dat de bevoegdheid daartoe aan de wet ontleent. Het VBD is aldus een algemeen verbindend voorschrift waartegen als zodanig op grond van artikel 8:2, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht geen beroep kan worden ingesteld.
Gesteld noch gebleken is dat gedaagde geen toepassing had mogen geven aan het VBD vanwege strijdigheid met een hogere regeling.
Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat gedaagde op een juiste wijze toepassing heeft gegeven aan het VBD door appellant met ingang van 1 juli 1996 een toelage toe te kennen van 30,36 percent. Het bestreden besluit is geheel overeenkomstig de van toepassing zijnde regelgeving genomen en er zijn geen andere redenen op grond waarvan dit besluit niet in stand kan blijven.
Hetgeen appellant in zijn aanvullend beroepschrift nog heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.
Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt daarom als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr K. Zeilemaker en mr C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2000.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) D. Boers.
HD
7.07
Q