ECLI:NL:CRVB:2000:AA8249
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. Haverkamp
- F.P. Zwart
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onderscheid tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden in Algemene nabestaandenwet
Appellante verzocht om een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) na het overlijden van haar partner met wie zij ongehuwd samenwoonde. De Sociale Verzekeringsbank wees de aanvraag af omdat appellante niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 14 en Pro artikel 66a Anw. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.
De Raad overwoog dat het onderscheid tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden in artikel 66a Anw terug te voeren is op het doel van deze overgangsbepaling, namelijk het beschermen van een groep die onder de oude Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) aanspraak kon maken op een uitkering, maar door de invoering van de Anw ongedekt bleef. Dit onderscheid is gerechtvaardigd omdat de twee groepen niet vergelijkbaar zijn wat betreft het bestaan van een wettelijke overlijdensrisicoverzekering onder de AWW.
Appellante stelde dat dit onderscheid in strijd was met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 14 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De Raad verwierp dit betoog en oordeelde dat het onderscheid de toets aan deze verdragsbepalingen kan doorstaan. Ook het argument dat de regeling haar doel voorbijschiet werd niet gevolgd, mede vanwege uitvoeringsproblemen bij een nauwere aansluiting op de doelstelling.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de nabestaandenuitkering aan appellante wegens het niet voldoen aan artikel 66a Anw.