ECLI:NL:CRVB:2000:AA8816
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- J.C.F. Talman
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag ambtenaar wegens plichtsverzuim en nevenwerkzaamheden
Appellant was sinds 1978 werkzaam als bijstandsmaatschappelijk werker en later als bijstandsmaatschappelijk medewerker B bij de gemeente. Na een reorganisatie werd hij tijdelijk als ondersteunend medewerker tewerkgesteld. Naar aanleiding van vermoedens van onregelmatigheden is een onderzoek ingesteld, dat leidde tot een rapport waarin plichtsverzuim werd vastgesteld.
Op basis van dit rapport heeft het College van burgemeester en wethouders besloten tot ongevraagd disciplinair ontslag per 1 april 1998. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard, waarna hij hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat appellant terecht was ontslagen vanwege het aannemen van een geldbedrag in verband met de verkoop van een woning van een cliënt, het zonder toestemming exploiteren van een horecagelegenheid en andere nevenactiviteiten die de onbevangen uitoefening van zijn ambtelijke functie belemmerden. De Raad verwierp het verweer dat het ontslag verband hield met organisatorische onvolkomenheden en wees op eerdere disciplinaire maatregelen en het voortdurende gedrag van appellant.
De uitspraak bevestigt het ontslagbesluit en benadrukt dat de gedragingen van appellant een onverenigbaarheid vertonen met zijn ambtelijke positie, waarbij het aannemen van geld voor bemoeienissen als zwaarwegend werd beschouwd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en het disciplinaire ontslag wordt bevestigd.