ECLI:NL:CRVB:2000:AA9301
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. 't Hooft
- D.J. van der Vos
- R.M. van Male
- Rechtspraak.nl
Beoordeling adequaatheid AOV als vervoersvoorziening voor gehandicapte
Gedaagde, een gehandicapte, had bij appellant, de gemeente Amsterdam, een aanvraag ingediend voor een bruikleenauto. Deze aanvraag werd afgewezen omdat zij gebruik kon maken van het AOV en andere hulpmiddelen. Gedaagde voerde aan dat zij vanwege medische klachten en het gebrekkige functioneren van het AOV geen gebruik kon maken van deze voorziening.
De rechtbank oordeelde dat het AOV geen adequate voorziening was vanwege tekortkomingen in stiptheid en bereikbaarheid, maar dat gedaagde medisch gezien wel van het AOV gebruik kon maken. Appellant stelde in hoger beroep dat het AOV ondanks eerdere problemen inmiddels adequaat functioneerde en dat de medische beoordeling bindend was.
De Raad stelde vast dat de medische beoordeling relevant blijft en dat het AOV in de concrete situatie van gedaagde als verantwoorde voorziening moet worden beoordeeld. Uit de stukken bleek dat gedaagde slechts beperkt gebruik had gemaakt van het AOV en dat het functioneren van het AOV, hoewel met klachten, niet zodanig gebrekkig was dat het geen adequate voorziening kon zijn.
De Raad vernietigde het eerdere vonnis en verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarmee de afwijzing van de bruikleenauto stand hield.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bruikleenauto blijft gehandhaafd.