ECLI:NL:CRVB:2000:AB2459
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.A.A.G. Vermeulen
- G.L.M.J. Stevens
- A. Beuker-Tilstra
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen de weigering van wachtgeld na privatiseringsontslag
In deze zaak gaat het om een hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem, waarin zijn beroep tegen de weigering van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer om hem wachtgeld toe te kennen, ongegrond werd verklaard. Appellant, die van 1973 tot 1 januari 1996 werkzaam was als docent muziekonderwijs bij het Centrum [centrum], werd per 1 januari 1996 eervol ontslagen op basis van artikel 8:4, eerste lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR). Dit ontslag volgde op een besluit van de gemeenteraad van Haarlemmermeer tot privatisering van het Centrum, waarbij een Sociaal Statuut werd vastgesteld dat de werkgelegenheid moest waarborgen.
Appellant had bezwaar gemaakt tegen de beslissing van 5 december 1995, waarin hem werd geweigerd wachtgeld toe te kennen. De gemeente stelde dat appellant onder de bijzondere regeling van het Sociaal Statuut viel, wat voorrang had op de algemene wachtgeldregeling in de CAR. De rechtbank oordeelde dat de gemeente terecht had gehandeld en het beroep van appellant ongegrond verklaard.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat het Sociaal Statuut zijn rechtskracht had verloren met de inwerkingtreding van de CAR op 1 april 1995. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het Sociaal Statuut als lex specialis van toepassing bleef, omdat de CAR geen specifieke regeling bevatte voor wachtgeld- en uitkeringsaanspraken bij privatiseringsontslag. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de gemeente zich terecht had gebaseerd op het Sociaal Statuut bij de weigering van het wachtgeld.
De Raad concludeerde dat er geen termen aanwezig waren om af te wijken van de beslissing van de rechtbank en bevestigde de aangevallen uitspraak. De uitspraak werd openbaar uitgesproken op 30 november 2000.