ECLI:NL:CRVB:2000:BJ5161

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 januari 2000
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
98/1889 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel II-C2 RpboArtikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging overplaatsing wegens plichtsverzuim van ambtenaar-conciërge

Appellant, werkzaam als conciërge sinds 1987, werd wegens plichtsverzuim overgeplaatst naar een andere school. Dit volgde op herhaalde uitingen die de grenzen van het toelaatbare gedrag overschreden, met name negatieve kwalificaties over de rector, ook in aanwezigheid van leerlingen en ouders.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad bevestigt dit oordeel. Appellant voerde aan dat de beoordeling onvoldoende gemotiveerd was, dat het gedrag mede voortkwam uit de relatie met de rector en dat de strafmaatregel onevenredig was gezien zijn staat van dienst en het ontbreken van gerichte waarschuwingen.

De Raad oordeelt dat de overplaatsing, als op één na lichtste disciplinaire straf, passend is gezien de herhaling van het gedrag ondanks waarschuwingen. De overplaatsing vond plaats met behoud van bezoldiging en in een gelijkwaardige functie, conform de voorkeur van appellant.

De Raad wijst het verweer van appellant af dat er met twee maten wordt gemeten, omdat het gedrag van appellant zich ook in het openbaar afspeelde en niet vergelijkbaar is met interne opmerkingen van leraren. Er is geen aanleiding het besluit onhoudbaar te achten of toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

De uitspraak van 2 februari 1998 van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitkomst: De overplaatsing wegens plichtsverzuim wordt bevestigd en het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

98/1889 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 2 februari 1998, nr. AWB 97/998 AW G BB.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 25 november 1999, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr H.J. Weekers, werkzaam bij ARAG rechtsbijstand.
Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door M.C.A. Eveleens, hoofd van de sectie personeelszaken van de dienst Onderwijs en Educatie.
II. MOTIVERING
Appellant is vanaf 1 september 1987 werkzaam geweest als conciërge aan de openbare school het [naam school]. Sinds het cursusjaar 1994/1995 zijn er problemen ontstaan tussen appellant en de direktie van de school, welke uiteindelijk zijn uitgemond in het voornemen van gedaagde tot het opleggen van een disciplinaire maatregel in de vorm van een overplaatsing. Nadat appellant tegen dit voornemen bezwaar had gemaakt en dienaangaande was gehoord, is appellant bij besluit van 7 mei 1996 op grond van artikel II-C2, eerste lid, onder b, van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (Rpbo) wegens plichtsverzuim met ingang van 13 mei 1996 overgeplaatst naar de [naam school 2].
Bij het in dit geding bestreden besluit van 12 december 1996 heeft gedaagde na bezwaar dit besluit gehandhaafd.
De rechtbank heeft het namens appellant tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Van de zijde van appellant is in hoger beroep, kort samengevat, aangevoerd dat de zienswijze van de rector niet juist is en dat het gedrag van appellant niet in de eerste plaats vanuit toegenomen werkdruk moet worden beoordeeld maar moet worden bezien in verband met het doen en laten van de rector ten opzichte van appellant. Hierbij is aangevoerd dat er onvoldoende overleg plaatsvond met de rector, dat door de rector afspraken niet werden nagekomen en dat appellant door hem belachelijk zou zijn gemaakt. Voorts zou de rechtbank onvoldoende hebben gemotiveerd waarom appellant met zijn gedrag de grens van het toelaatbare zou hebben overschreden en waarom dit aan hem verwijtbaar zou zijn. Zo er al sprake zou zijn van enig plichtsverzuim, dan acht appellant de toegepaste straf daaraan onevenredig, gelet op zijn staat van dienst en het achterwege blijven van gerichte waarschuwingen. Nu het in wezen om een onverenigbaarheid van karakters gaat had gedaagde een ander middel kunnen toepassen dan een strafmaatregel, zoals een "neutrale" overplaatsing naar de [naam school 2].
De Raad overweegt als volgt.
Evenals de rechtbank acht de Raad het op grond van de gedingstukken voldoende vaststaan dat appellant zich bij meerdere gelegenheden op een zodanige wijze heeft geuit dat de direktie en gedaagde tot het oordeel hebben kunnen komen dat daarmee de grens van het toelaatbare was overschreden. Met name bij het uiten van negatieve kwalificaties over in het bijzonder de rector, ook in aanwezigheid van leerlingen en ouders, heeft appellant zich er onvoldoende rekenschap van gegeven welke positie hij in de school innam.
Gezien het vorenstaande acht de Raad gedaagde bevoegd om appellant op grond van plichtsverzuim een disciplinaire straf op te leggen.
Ten aanzien van de opgelegde straf van overplaatsing, de op één na lichtste straf die op grond van artikel II-C2 van het Rpbo kan worden opgelegd, overweegt de Raad dat de lichtste straf, een berisping, in het onderhavige geval weinig zinvol zou zijn geweest, gezien het feit dat appellant ook na waarschuwingen met betrekking tot zijn gedrag in herhaling is gevallen. De Raad acht de toegepaste overplaatsing derhalve niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Hierbij is ook van belang dat appellant met behoud van bezoldiging is overgeplaatst in een gelijkwaardige functie en dat hij overeenkomstig zijn voorkeur is geplaatst bij de HAVO/VWO-afdeling van genoemde school.
De Raad kan appellant voorts niet volgen in zijn visie dat met twee maten wordt gemeten, omdat ook leraren in de lerarenvergadering de rector wel eens iets toevoegen. Nog afgezien van wat door de leraren bij de gelegenheden waar appellant op doelt exact is gezegd, is een wezenlijk verschil met de aan appellant verweten gedragingen dat de door appellant aangegeven gedragingen van de leraren zich hebben afgespeeld binnen de geledingen van de school en buiten aanwezigheid van derden.
Nu de Raad ook overigens in hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd geen aanleiding heeft gevonden om het bestreden besluit in rechte onhoudbaar te achten, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig tot toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Derhalve wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr A. Beuker-Tilstra als leden, in tegenwoordigheid van mr S.P. Madunic als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2000.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) S.P. Madunic.
HD