ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8851
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering AAW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant verzocht om een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), waarbij hij stelde sinds zijn jeugd arbeidsongeschikt te zijn. Gedaagde, het Landelijk instituut sociale verzekeringen, weigerde de uitkering omdat appellant op en na 15 mei 1989 minder dan 25% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.
De Raad hecht waarde aan het deskundigenrapport van prof. J.G. Schnitzler, die concludeerde dat appellant met zijn jeugdige beperkingen in staat was om arbeid te verrichten en dat arbeidsongeschiktheid pas is ingetreden vanaf de start van zijn TBS-behandeling na zijn gevangenisstraf. Appellant verbleef in detentie en ontving geen inkomen uit arbeid, wat volgens de Raad niet meetelt voor de inkomenseis van de AAW.
De Raad volgt de deskundige in het oordeel dat appellant niet eerder dan tijdens zijn klinische behandeling volledig arbeidsongeschikt was. De Raad ziet geen reden een tweede deskundige in te schakelen en oordeelt dat het bestreden besluit rechtsgeldig is. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er is geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de AAW-uitkering omdat appellant niet voldoet aan de inkomenseis en pas arbeidsongeschikt werd vanaf de start van zijn TBS-behandeling.