De Raad hecht met name waarde aan de bevindingen van de door de
rechtbank ingeschakelde zenuwarts
prof. J.G. Schnitzler. In zijn rapport van 30 mei 1997 is deze
deskundige op basis van de omtrent appellant beschikbare medische
gegevens, waaronder een rapport van het Pieter Baan Centrum, en
zijn eigen onderzoek van appellant tot het oordeel gekomen dat
appellant met de sedert zijn jeugd aanwezige afwijkingen in staat
kon worden geacht de voor hem geselecteerde functies te vervullen. Met betrekking tot
het tijdstip waarop bij appellant arbeidsongeschiktheid is
ingetreden heeft deze deskundige het volgende overwogen.
"De strafoplegging wordt éérst voltrokken, terwijl daaraan
aansluitend (dat is althans de bedoeling) de TBS ten uitvoer
gelegd.
Betr.'s gevangenisstrafoplegging eindigde 21 oktober 1993.
Gedurende die gevangenisstraf komt betr. niet in aanmerking voor
AAW/WAO-uitkering.
Als betr. vervolgens de TBS binnenkomt, vindt dit plaats voor een
ingrijpende en meestal ook langdurige behandeling van zijn ernstige
psychiatrische stoornis.
Een dergelijke behandeling biedt geen ruimte voor het vervullen van
een werkkring naast de behandelings bemoeienissen, die voor de
betrokkene meestal vele en grote spanningen en een sterke stress
met zich meebrengen.
(Een en ander is vergelijkbaar met een patiënt die wegens een
gedecompenseerde epilepsie of diabetes in een algemeen ziekenhuis
wordt geobserveerd en behandeld en die ten tijde van zijn
behandeling als arbeidsongeschikt moet worden beschouwd).
Meestal wordt eerst met een arbeidstraining bij TBS-gestelden
aangevangen tegen het einde van de intra-murale faze van de TBS en
vervolgens in de faze van het proefverlof (betr. heeft zo'n
arbeidstraining zeker nodig om t.z.t. weer te kunnen functioneren
in enig arbeidsproces).
Resumerend is rapporteur de stellige mening toegedaan, dat
onderzochte, gedurende zijn psychiatrische behandeling, lijdende
was en is aan ernstige psychiatrische stoornissen met daaruit
voortvloeiende zodanige beperkingen (hij kan niet in de
maatschappij verblijven), dat hij als volledig arbeidsongeschikt in
de zin der AAW/WAO moet worden beschouwd gedurende zijn klinische
behandelingsperiode, die tot 21 oktober 1997 zal voortduren.
Eén complicatie dient nog nader besproken te worden: na de
expiratie van zijn gevangenisstraf op 21 oktober 1993 kon zijn
behandeling niet direct een aanvang nemen aangezien binnen het
TBS-circuit niet direct een plaats voor hem voorhanden was.
Pas na ongeveer één jaar kon die plaatsing doorgang vinden en kon
zijn behandeling een aanvang nemen. Tot dit tijdstip bleef betr.
"geparkeerd" binnen het gevangeniswezen als zogenaamde "passant".
Dat geschiedde dus buiten betr.'s wil c.q. zonder zijn "schuld"
(hij was graag onmiddellijk begonnen met zijn behandeling, als het
aan hem was gelegen).
In dit opzicht is betr. te vergelijken met een patiënt bij wie een
orgaan implantatie moet plaatsvinden, terwijl er niet direct een
donororgaan (hart, nier) voorhanden is. Ook zo'n patiënt heeft vaak
dusdanige (lichamelijke) stoornissen die tot zodanige beperkingen
aanleiding geven, dat de betrokkene daardoor als arbeidsongeschikt
is te beschouwen, zolang als de implantatie niet heeft
plaatsgevonden.
Naar de mening van rapporteur is betr.'s arbeidsongeschiktheid
begonnen op 21 oktober 1993, toen betr.'s gevangenisstraf
expireerde en zijn TBS een aanvang had moeten nemen.".