ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9096
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling berekeningswijze dagloon uitzendkracht volgens WW en Dagloonregels IWS
Het geschil betreft de berekening van het dagloon van een uitzendkracht in het kader van de Werkloosheidswet (WW). De appellant, het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), heeft het dagloon van gedaagde vastgesteld op f 188,45 volgens een systeem waarbij het gemiddelde aantal arbeidsuren (GAA) wordt vermenigvuldigd met het gemiddelde uurloon en gedeeld door vijf. Hierbij wordt een toeslag van 10,87% toegepast voor vakantie- en snipperdagen.
De rechtbank had het besluit van het Lisv vernietigd omdat zij vond dat de appellant de evenredige vermindering van het dagloon niet correct had berekend, met name omdat niet alle vakantiedagen waarvoor gedaagde aanspraak had op schadeloosstelling werden meegenomen. De Raad stelt echter vast dat het voor uitzendkrachten praktisch onmogelijk is om exact vast te stellen over welke dagen vakantie is genoten en welke vakantierechten zijn opgebouwd.
De Raad oordeelt dat de door het Lisv gehanteerde abstraherende methode, die uitgaat van een objectief en praktisch toepasbaar systeem, niet onaanvaardbaar is. De Raad vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Hiermee wordt bevestigd dat de gekozen berekeningswijze rechtens toelaatbaar is, ook al kan dit in individuele gevallen leiden tot een minder gunstige uitkomst.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de berekeningswijze van het dagloon door het Lisv.