ECLI:NL:CRVB:2000:ZB9104
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- R.M. van Male
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van inkomsten uit arbeid in relatie tot AAW-uitkering over 1995
In deze zaak stond centraal of gedaagde in de periode van 1 januari tot en met 31 december 1995 inkomsten uit arbeid heeft genoten zoals bedoeld in artikel 33 van Pro de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Appellant, het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), had besloten de AAW-uitkering van gedaagde te verminderen en een deel terug te vorderen, omdat zij meende dat gedaagde inkomsten uit arbeid had ontvangen.
De rechtbank had deze besluiten vernietigd omdat gedaagde als commanditair vennoot geen arbeid had verricht en de inkomsten daarom niet als inkomsten uit arbeid konden worden aangemerkt. In hoger beroep voerde appellant aan dat fiscale winst uit onderneming voldoende was voor toepassing van artikel 33 AAW Pro en dat gedaagde ook zelfstandigenaftrek had geclaimd.
De Raad oordeelde dat het fiscale begrip 'winst uit onderneming' niet gelijk is aan 'inkomsten uit arbeid' en dat het claimen van zelfstandigenaftrek niet betekent dat er daadwerkelijk arbeid is verricht. Het controlerapport waarop appellant zich beroept, betrof bovendien eerdere jaren en kon niet worden gebruikt voor 1995. Gedaagde ontkende het verrichten van werkzaamheden en appellant kon dit niet aantonen.
Daarom concludeerde de Raad dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat gedaagde in 1995 arbeid had verricht binnen de vennootschap. De toepassing van artikel 33 AAW Pro door appellant ontbeerde een juiste feitelijke grondslag. Het hoger beroep werd afgewezen, de eerdere vernietiging van de besluiten door de rechtbank bevestigd en appellant werd veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en de vernietiging van de besluiten door de rechtbank bevestigd.